Ik schrijf niet over daders. Ik schrijf over hoe iemand dat wordt

Ik schrijf niet over daders om hen te begrijpen. Ik schrijf om te zien hoe het gebeurt.

Er wordt mij soms gevraagd waarom ik schrijf over daders, en die vraag wordt zelden neutraal gesteld. Ze draagt vaak iets in zich dat lijkt op wantrouwen, alsof het kiezen van dat perspectief automatisch betekent dat je iets goedpraat, verzacht of probeert te rechtvaardigen wat in essentie niet te rechtvaardigen valt.

Alsof kijken naar de binnenkant van een handeling betekent dat je de handeling zelf minder ernstig maakt.

Maar dat is niet wat ik doe.

Ik schrijf niet om te begrijpen in de zin van vergeven. Ik schrijf omdat ik wil zien hoe iets ontstaat zonder dat het zichzelf aankondigt als iets dat fout is.

Niet het moment van de daad, maar alles ervoor

Wat mij interesseert, is zelden het moment zelf. Niet de daad, niet de schok, niet het punt waarop alles zichtbaar wordt en benoemd kan worden. Dat moment is duidelijk. Dat moment is luid. Dat moment krijgt een naam.

Wat mij interesseert, is alles wat daaraan voorafgaat.

De kleine verschuivingen die niemand opmerkt. De gedachten die nog perfect logisch klinken terwijl ze zich langzaam verplaatsen. De overtuigingen die groeien zonder weerstand, omdat ze zich niet presenteren als iets gevaarlijks.

Er is geen duidelijke grens waar iemand over stapt en denkt: hier ga ik te ver. Er is alleen een lijn die zo geleidelijk verschuift dat ze op een bepaald moment niet meer als grens wordt herkend.

De taal waarin iemand zichzelf overtuigt

Elke dader heeft een verhaal, maar niet in de zin waarin wij dat woord meestal gebruiken. Het is geen verhaal dat achteraf wordt verteld om iets te verklaren. Het is een verhaal dat zich intern vormt, terwijl alles nog bezig is.

Het zit in de taal die iemand tegen zichzelf gebruikt.

Niet in grote, dramatische zinnen, maar in kleine rechtvaardigingen die zich herhalen tot ze vertrouwd aanvoelen. Gedachten die eerst nog een lichte weerstand oproepen, maar die na verloop van tijd niet meer botsen omdat ze zijn ingepast in een logica die alleen van binnenuit klopt.

Ik schrijf over die taal. Over hoe iemand zichzelf stap voor stap leert geloven.

Omdat het zelden begint met iets groots

We houden graag vast aan het idee dat extreme daden voortkomen uit extreme mensen, omdat dat een geruststelling biedt. Het creëert afstand. Het maakt het mogelijk om te denken dat wat daar gebeurt, zich buiten ons bevindt.

Maar wat mij interesseert, is hoe vaak dat niet klopt.

Hoe vaak iets begint met iets klein. Met een gedachte die niet gecorrigeerd wordt. Met een gevoel dat niet wordt tegengesproken. Met een interpretatie die zich vastzet en niet meer wordt bevraagd.

Niet omdat iemand meteen “zo” is, maar omdat niemand op tijd ziet wat er aan het verschuiven is.

De ongemakkelijke nabijheid

Schrijven vanuit het perspectief van de dader betekent dat je die afstand loslaat. Dat je niet kijkt vanop een veilige plek, maar dat je dichterbij komt dan comfortabel is.

Niet om sympathie op te wekken. Niet om te verzachten.

Maar omdat afstand het verhaal eenvoudiger maakt dan het is.

Het is gemakkelijk om te zeggen dat iemand fout is, dat iets niet had mogen gebeuren, dat het duidelijk is waar het misging. Wat moeilijker is, is blijven kijken terwijl het nog niet duidelijk is. Terwijl alles zich nog in een grijze zone bevindt waar niets expliciet fout lijkt, maar waar wel iets aan het verschuiven is.

Ik schrijf om het moment vóór de herkenning

Er is altijd een moment waarop alles een naam krijgt. Waarop iemand wordt aangeduid als dader, waarop een daad wordt benoemd en ingekaderd, waarop de wereld opnieuw orde probeert te brengen in wat gebeurd is.

Maar dat moment interesseert mij minder.

Ik schrijf voor het moment daarvoor.

Voor de fase waarin niemand nog weet wat dit zal worden. Waarin alles nog onopvallend genoeg is om genegeerd te worden. Waarin iemand nog volledig kan functioneren terwijl er intern al iets aan het kantelen is.

Omdat net daar, in dat onzichtbare stuk, de meeste waarheid zit.

Niet om te verzachten, maar om niet te vereenvoudigen

Er zit een gevaar in het te snel begrijpen van iets. In het reduceren van complexe processen tot eenvoudige verklaringen die het makkelijker maken om afstand te houden.

Maar vereenvoudigen is niet hetzelfde als begrijpen.

Door te schrijven vanuit het perspectief van de dader probeer ik niets lichter te maken. Integendeel. Ik probeer het gewicht te behouden door niet te snel te oordelen, door niet meteen te benoemen wat iemand is, maar door te tonen hoe iemand ergens wordt zonder het zelf zo te zien.

Omdat het dichterbij ligt dan we willen

Misschien is dat het meest ongemakkelijke aan alles.

Niet dat zulke dingen bestaan, maar dat ze niet altijd zo ver weg zijn als we denken. Dat de mechanismen die iemand doen verschuiven, niet per definitie uitzonderlijk zijn, maar vaak opgebouwd zijn uit herkenbare elementen die in een andere context, met andere grenzen, misschien nooit zo ver zouden gaan.

Ik schrijf niet omdat ik geloof dat iedereen hetzelfde is.

Maar omdat ik geloof dat het proces zelf minder uitzonderlijk is dan we graag aannemen.

En omdat kijken belangrijker is dan wegkijken

Je kan ervoor kiezen om alleen te kijken naar wat zichtbaar is, naar wat benoemd is, naar wat duidelijk fout is. Dat is veiliger. Overzichtelijker. Rustiger.

Maar er gaat iets verloren wanneer we niet meer kijken naar wat daaraan voorafgaat.

Ik schrijf omdat ik wil blijven kijken.

Niet naar de daad.
Maar naar de weg ernaartoe.

Omdat daar, ergens tussen het eerste onschuldige idee en het moment waarop alles onomkeerbaar wordt, iets gebeurt dat we te weinig onder ogen zien.

En misschien, heel misschien, ligt precies daar de enige plaats waar inzicht nog iets kan veranderen.