Ongelezen signalen
Ik gaf signalen
in fluistervorm.
Jij luisterde alleen
naar dingen
die luid genoeg waren
om je niet te moeten veranderen.
Voor dagen waarop een hoofdstuk te veel is.
Niet lang, wel precies genoeg.
Ik gaf signalen
in fluistervorm.
Jij luisterde alleen
naar dingen
die luid genoeg waren
om je niet te moeten veranderen.
Ik heb geleerd om stil te zijn
in ruimtes die nooit luisteren.
En ergens onderweg
werd dat geen aanpassing meer
maar wie ik ben geworden.
Ik had harder kunnen worden.
Kouder.
Onverschilliger.
Maar ergens diep vanbinnen
beslis ik elke dag opnieuw
dat ik blijf voelen.
Zelfs als het pijn doet.
Zelfs als niemand het begrijpt.
Omdat dat het enige is
dat nog echt voelt.
Vertrouwen breekt niet in één keer.
Het scheurt langzaam
in kleine geluiden
die niemand hoort
behalve jij.
Ik huil niet meer.
Niet omdat het geen pijn meer doet.
Maar omdat zelfs mijn verdriet
het beu werd
om genegeerd te worden.
Je noemde mij sterk.
Maar wat je eigenlijk bedoelde
was dat je zag
hoe ik dingen verdroeg
die niemand gewoon zou mogen worden
en dat het jou goed uitkwam
dat ik er niets van zei.
Ik bleef
lang nadat alles in mij al weg was.
Alsof mijn lichaam nog hoopte
dat mijn hart
zich zou bedenken.
Sommige wonden
bloeden niet.
Ze zitten gewoon stil
en herschrijven langzaam
alles wat je nog denkt
te verdienen.
Onze stilte had verschillende smaken.
Soms was ze veilig.
Soms was ze straf.
Ik leerde het verschil
aan mijn lichaam:
hoe mijn schouders zich aanspanden
nog voor ik iets begreep.
Er zijn stiltes
Die je beschermen.
En stiltes die je langzaam kleiner maken.
Misschien zullen mijn broers ooit zeggen
dat ze nooit hebben geweten
dat het moeilijk was.
Dat kan.
Maar het was er wel.
Ik zie je
online
en mijn hart doet
alsof dat bewijs is
dat je nog
in mijn wereld bent.
Ik lees je stilte
zoals je een boek leest:
zin voor zin,
fout na fout.
En als je niet antwoordt,
ben jij geen mens meer,
maar een vraag
waar ik mezelf
aan openhaal.
Ik hou van jou
zoals een hand
om een glas gaat:
net stevig genoeg
om het niet te laten vallen.
Maar soms
knijp ik.
Niet omdat jij
breekbaar bent
maar omdat ik dat ben.
Ik wil niet
dat je weggaat.
Dus maak ik van jou
een plek
waar je niet uit kan.
En ik haat mezelf
omdat het werkt.
Ik zeg: "ik mis je"
maar soms bedoel ik:
kom terug
naar waar ik je kan zien.
Niet uit bezit.
Uit paniek.
Ik heb geleerd
dat mensen weggaan
net als je
eindelijk gelooft
dat ze blijven.
Dus ik hou je vast
alsof jij
een deur bent
die dicht kan vallen
zonder geluid.
Ik kan lief zijn
en toch tellen.
Hoe vaak jij lacht.
Hoe snel jij antwoordt.
Hoeveel jij zegt zonder dat ik vraag.
Ik weet
het klinkt niet romantisch.
Niet gezond.
Maar soms voelt liefde
als een kamer
zonder lichtknop.
Dus ik tast.
Ik check.
Ik meet de lucht.
Niet om jou te breken.
Maar omdat ik bang ben
dat jij mij vergeet
terwijl ik
nog naast je sta.
Ik had je nodig op de rand van mijn dag.
Wanneer de wereld stilvalt en alles luider wordt.
Ik wilde je daar.
Niet in woorden, in daden.
Je kwam pas toen het veilig was.
Toen had ik je niet meer nodig.
Ik word niet jaloers
omdat ik jou niet vertrouw.
Ik word jaloers
omdat ik mezelf niet vertrouw
wanneer ik bang ben.
Angst maakt van mij
iemand
die dingen ziet
die er niet zijn.
En toch…
het voelt echt
als ik wakker lig
en jouw wereld
groter lijkt
dan mijn plek daarin.
Soms is het niet jij
die mij raakt,
maar de versie van jou
die mijn hoofd bouwt uit gemiste seconden.
Wat als.
Wat als ik toen anders was geweest.
Wat als ik nu niet moest doen alsof.
Dat woord “wat”
is een kamer zonder deurklink.
Ik blijf er te lang staan.
Wanneer ik stil word,
is dat geen zachtheid.
Het is een grens
die zichzelf sluit.
Mijn zenuwen staan rood.
Ik kies vertrek
boven explosie.
Ik verdwijn niet om jou gerust te stellen.
Ik verdwijn
om mezelf te behouden.
Ik kom terug.
Met weinig woorden.
En nul onderhandelingsruimte.
Soms ben ik zo moe
dat ik mezelf begin te roasten
om het draaglijk te houden.
Ik noem het “karakter”.
Ik noem het “sterk zijn”.
Ik noem het “het komt wel”.
Maar eigenlijk
ben ik gewoon iemand
die probeert te overleven
met humor
als duct tape
op een barst.
Ik merkte het
aan jouw nabijheid
op dagen dat ik lichter was:
grapjes, gemak,
geen rimpel in de lucht.
Maar zodra ik zwaarder werd,
een vraag stelde
zonder strik eromheen,
verdween jij
in het druk-zijn.
Nu weet ik:
wie mij enkel kan vasthouden
als ik niets weeg,
heeft mij
nooit echt gedragen.
Mijn liefde
is niet gevaarlijk tot jij
te ver weg gaat staan.
Dan verandert ze.
Krijgt randen.
Krijgt tanden
die ik niet gevraagd heb.
Ik wil niet bijten.
Ik wil alleen
niet weer
degene zijn
met een leeg bed
en te veel
waarom.
Jarenlang
sprak ik mijn naam uit
alsof hij eerst toestemming moest krijgen.
Alsof ik moest voldoen
voor ik bestond.
Ik werd
wat nodig was:
sterk, stil, beschikbaar.
Tot ik vergat
hoe ik klonk
zonder maskers.
Nu leer ik opnieuw spreken.
Niet harder.
Niet kleiner.
Maar echt.
En langzaam
herken ik mezelf
terug in wie ik ben.
Mijn positieve energie
is geen bron.
Het is een lamp die ik aanzet
zodat anderen
hun sleutels vinden.
Soms sta ik zelf
in het donker,
hand nog op de schakelaar
alsof licht pas telt
als iemand anders
het opmerkt.
Ik ben het type
dat glimlacht terwijl ze zinkt.
Niet uit humor,
maar omdat mascara
niet van drama houdt.
Mijn hoofd draait
meerdere programma’s tegelijk:
paniek,
plannen,
herinneren,
volhouden.
Rust?
Dat zijn die paar seconden
tussen twee
overlevingsmodi.
Als ik zeg “het gaat”,
bedoel ik:
het valt nog niet om.
En dat is, eerlijk?
Best een prestatie.
Het leven
blijft dingen gooien
alsof ik een doelwit ben
en geen mens.
En ik lach.
Niet omdat het grappig is,
maar omdat huilen
te veel tijd kost
en ik
nog boodschappen moet doen.
Ik was gemakkelijk lief te hebben
zolang ik fluisterde,
me opvouwde
in grapjes, begrip,
en “het is oké”.
Je hield van de versie
die slikte zonder te spreken,
die bleef
terwijl ze allang vertrok
vanbinnen.
Maar dit is geen woede.
Dit is helderheid.
En ik ben geen rustplek meer
voor jouw gemak.
Ik hou van jou
alsof liefde iets is
dat ik telkens opnieuw
moet verdienen.
Alsof één stille avond genoeg is
om mij terug te duwen
naar vroeger.
Dus ik lees je.
Je toon.
Je timing.
De ruimte
tussen je woorden.
En soms haat ik mezelf
omdat ik van jou
een rechtbank maak.
Ik hou van jou.
En toch kijk ik soms
waar je voeten staan.
Niet omdat ik jou niet vertrouw
maar omdat ik ooit viel
in iemands open ogen.
Mijn liefde is warm.
Maar ze draagt een alarm,
voor het geval
dat.
Vooraan: ik ben oké.
Achteraan: ik tel mijn adem om niet te breken.
Ik heb geleerd pijn te verpakken
in een toon die slikt als lucht:
met humor,
met “komt wel”,
met ogen die wegkijken voor het opvalt.
Maar wie dichtbij komt,
ziet misschien:
Sterk zijn
is niet geen pijn hebben.
Sterk zijn
is pijn hebben
en toch blijven.
Jij kust mij
alsof ik elk moment kan verdwijnen.
En ik kus terug
alsof ik weet hoe snel liefde kan kantelen
zonder waarschuwing.
Wij zijn geen film.
Wij zijn twee mensen
met littekens
die soms spreken
zonder geluid.
Als ik eerlijk ben,
ben ik niet af.
Maar ik ben onderweg
zonder mezelf
te verloochenen.
En dat is misschien
het meest eerlijke
wat ik ooit
geleerd heb.
Ik blijf proberen.
Ook als ik moe ben.
Ook als ik twijfel.
Ook als ik bang ben.
Niet omdat ik koppig ben.
Maar omdat hoop
niet opgeeft.
Ik wil bij jou zijn
zonder mezelf te verliezen.
Maar ik ben ooit
mezelf kwijtgeraakt aan iemand
die mijn zachtheid
zag als toegang.
Dus ik blijf,
met één hand open,
en één hand aan de deurklink.
Niet om weg te lopen,
maar om mezelf
niet weer
achter te laten.
Mijn humor is niet licht.
Mijn humor is een kelder
met een klein lampje.
Ik lach op plekken
waar anderen stil worden,
omdat ik leerde
dat stilte
mij opeet.
Het leven heeft scherpe kanten.
En ik ook.
Dus we passen
helaas
perfect.
Mijn hoofd heeft te veel tabbladen open.
Eentje speelt paniekmuziek,
maar ik vind de bron niet.
Als ik even stil ben,
is dat geen drama.
Dat is mijn systeem
dat zichzelf redt.
Ik kom terug.
Alleen niet sneller
dan mijn zenuwstelsel toelaat.
Ik hou van jou
op een manier die niet soepel
uit de mond valt.
Geen rozen.
Eerder doornen
die blijven hangen in mijn handen.
Maar ik blijf.
Niet omdat het makkelijk is
maar omdat jij
het nog steeds waard bent
als het schuurt.
Niemand ziet
hoe ik mezelf bij elkaar houd
met stille afspraken.
Niet huilen in de winkel.
Niet stilvallen in gesprekken.
Niet teveel voelen waar het niet mag.
Sterk zijn is soms gewoon:
mijn hart dragen alsof het staal is,
terwijl ik weet
hoe breekbaar het blijft.
Mijn kracht zit niet in luid zijn.
Ze zit in blijven staan
terwijl mijn knieën de grond overwegen.
Ik heb spieren gekweekt
van inslikken,
van doorlopen,
van "ik regel het wel".
En toch,
elke nacht
legt mijn lichaam mij neer
in de waarheid
die ik overdag
verberg.
Jij zegt niets.
En ik word creatief.
Ik bouw scenario’s
jouw stiltes zijn bakstenen,
mijn angst het cement.
In mijn hoofd
ben jij al vertrokken
voor je opstaat.
En ik straf je
voor iets
dat je nog niet deed,
omdat ik ooit
te laat voelde
dat het misliep.
Ik ben de nette versie
van mijn storm
de variant die niemand bang maakt.
Ik vouw mijn chaos op
tot blokjes in een agenda
met "komt goed" ernaast.
Maar tussen
twee ademhalingen in
hou ik mezelf vast,
om niet weg te drijven.
Ik ben een tussenversie geworden.
Niet kapot.
Niet heel.
Gewoon… tijdelijk.
Ik leef van taak naar taak,
van uur naar uur,
alsof tijd mij kan afronden.
Mensen noemen dat “sterk”.
Ik noem het:
niet meer voelen waar ik begin.
Ik vouw mezelf open
zoals je een oude map opent
stof in de lucht, papier dat fluistert
van lang verzwegen waarheden.
De bladzijden plakken
alsof herinneringen elkaar vasthouden
uit pure noodzaak.
Naam: bekend,
Gezicht: het soort dat blijft hangen in de ogen van vreemden.
Stem: kneedbaar als klei, vormt zich naar elke ruimte.
Handtekening: een dagelijks veranderend spoor, alsof ik mezelf telkens opnieuw herschrijf.
Ik schrijf enkel feiten.
De gevoelens
laat ik langs de randen lekken.
Dat heet objectiviteit.
Dat heet ook verdwijnen
zonder dat iemand het merkt.
Spraak: te keurig, vooral wanneer het pijn doet.
Reflex: glimlachen, een oud wapen tegen stille gevaren.
Slaap: licht, alsof ik waak over iets dat al lang verloren is.
Herinnering: vlijmscherp op details, mistig op wie ik daar was.
Ik blader door mezelf heen.
Er ontbreken stukken.
Iemand heeft pagina’s gescheurd
ik misschien
en mij geleerd te doen
alsof dat hoort.
Mogelijke motieven:
overleven.
niet storen.
lief blijven
om niet kwijt te raken wat veilig voelt.
Ik staar naar de foto vooraan:
ik ken haar.
Ik weet wie ze was.
Maar ik durf niet zweren
dat ik haar nog ben.
Conclusie:
ik ben niet weg.
Ik ben verstrooid geraakt,
als losse bladen
in een storm zonder richting.
Ik sluit het dossier.
Niet omdat het af is,
maar omdat ik voel
hoe dichtbij de waarheid trilt.
Ik herhaal gesprekken
tot ze anders aflopen.
Alsof ik met genoeg rondjes
het verleden kan herschrijven.
Ik heb een lijstje in mijn hoofd
van alles wat ik inslik
om rustig te blijven.
Zinnen.
Blikken.
Een lach die ik te vroeg gaf.
Een “geen probleem”
dat wel degelijk een probleem was.
Ik vouw het allemaal op
tot het in mij past.
En dan vraag ik mij af
waarom ik zo ben gaan knellen.
De buitenwereld is druk.
Mijn binnenwereld ook.
Maar alleen in mij
kan ik het volume regelen.
Je kan lachen
aan een volle tafel
en toch thuiskomen
met lege handen.
Het gaat beter.
En ik ben nog wantrouwig
tegen dat woord
alsof beter mij kan verlaten.
Ik leg mijn sleutel
op een andere plek.
Niet omdat het moet,
maar omdat ik mag veranderen.