Hoofdstuk 1: De eerste waarschuwing
De vrachtwagen van het verhuisbedrijf reed stapvoets het grindpad op, alsof zelfs de banden niet graag te luid wilden zijn hier. Grind knarste onder het gewicht, kort en korrelig, als tanden die over elkaar schuurden. Lena volgde met haar eigen auto, handen strak rond het stuur, en voelde hoe haar schouders pas loskwamen toen ze de motor afzette.
Het huis stond iets hoger dan de weg, een oud ding met een te nette gevel om echt onschuldig te zijn. Het had die uitstraling van huizen die te lang hebben gezwegen. Donkere baksteen, een dak dat in de hoeken iets doorhing, ramen met kleine ruitjes die de lucht in stukjes sneden. De voortuin was niet verwilderd, maar ook niet geliefd. Alsof iemand ooit geprobeerd had om hier een welkom van te maken, en dan halverwege vergat waarom.
Noah stapte als eerste uit. Hij zette één voet op het grind en keek niet naar de voordeur, maar naar de ramen.
“Het kijkt,” zei hij.
Lena sloot haar autodeur, en de klank sloeg hol terug van de gevel. Ze ging naast hem staan en volgde zijn blik. Ze zag alleen haar eigen weerspiegeling in het glas, vaag en verwrongen door het wolkendek, een vrouw die probeerde te doen alsof dit een normale maandag was.
“Het huis kijkt niet, liefje. Huizen hebben geen ogen.”
Noah bleef staren, alsof hij iets moest tellen in de ruitjes.
“Toch wel.”
Ze had hem vanmorgen nog horen zingen in de auto. Een kinderliedje met de helft van de woorden verkeerd. Hij had gelachen toen Lena zei dat het niet “krokodil met schoenen” was maar “krokodil met een hoed”. Zijn lach had het soort licht dat je even doet vergeten dat je aan het wegvluchten bent. En nu stond hij hier, met die rare, serieuze blik die hij soms kreeg wanneer hij moe werd.
Lena legde haar hand op zijn kruin. Zijn haar voelde nog warm van de auto.
“We gaan naar binnen. Het is koud.”
De sleutel was zwaar. Niet groot, gewoon… ouderwets zwaar, alsof metaal hier extra gewicht had gekregen door jarenlang in dezelfde sloten te passen. Toen ze hem in het slot stak, voelde ze even weerstand, een kort moment alsof de deur zich bedacht. Daarna gaf het hout toe met een zucht, en de voordeur zwaaide naar binnen open.
De lucht binnenin rook naar stof en iets zoets dat te lang had stilgestaan. Oude was, oud hout, een schaduw van meubelpolitoer. Geen schimmel, geen rot. Alleen dat vreemde aroma van huizen die een eigen geheugen hebben en het niet graag delen.
Noah schoof langs haar heen en stapte de hal in.
En daar stond hij.
Recht tegenover de voordeur hing een spiegel. Een grote, langwerpige, met een lijst die bijna zwart leek, maar net genoeg glans had om te verraden dat het geen gewoon geverfd hout was. De spiegel zelf was nog vreemder. Het glas was donkerder dan normaal, alsof het licht er niet op lag maar erin verdween. Lena zag zichzelf en Noah erin, maar het was alsof hun reflecties een fractie dieper stonden dan ze moesten. Alsof er een laag tussen zat. Een waterlaag. Een ademlaag.
Noah bleef staan. Zijn vingers gleden automatisch naar zijn rugzakriem. Hij keek niet naar zichzelf, maar langs zichzelf heen, de manier waarop kinderen soms naar een regenboog kijken, niet naar de kleuren maar naar wat daarachter zou kunnen zitten.
“Mama.”
Lena voelde haar maag al vóór hij het zei.
“Wat is er?”
Noah wees. Niet naar zijn eigen spiegelbeeld, maar naar de linkerkant van de spiegel, op schouderhoogte. Alsof daar iemand stond die alleen hij zag.
“Daar. Die man.”
Lena’s hart maakte een sprong die net iets te groot was voor haar borstkas. Ze dwong zichzelf om niet meteen mee te schrikken, om niet met hem mee te gaan in… wat het ook was. Kinderen zien dingen. Kinderen verzinnen dingen. Kinderen vangen flarden op van volwassen gesprekken en geven ze een gezicht.
Ze stapte dichterbij, langzaam, alsof plots bewegen iets wakker zou maken. Ze keek in de spiegel.
Ze zag zichzelf. Noah. De hal achter hen. De lamp die nog niet aanstond. De trap die naar boven kronkelde.
En niets anders.
“Ik zie niemand,” zei ze, en ze haatte haar eigen stem omdat die zo dun klonk.
Noah kneep zijn ogen tot spleetjes, koppig.
“Hij staat achter mij. Hij kijkt naar mij. Hij kijkt altijd.”
Altijd. Dat woord hing in de lucht alsof het al bestond voordat Noah het uitsprak.
Lena lachte kort, het soort lach dat je gebruikt om een deur dicht te doen zonder dat iemand het merkt.
“Het is gewoon de verhuisstress. Weet je nog, gisteren zei je ook dat je in de badkamer in het appartement een monster hoorde in de afvoer.”
Noah trok zijn lip op.
“Dat was geen monster. Dat was ook een man.”
Ze wilde iets luchtigs terugzeggen, iets moederlijks en stevig. Maar het woord man bleef steken. Want Noah zei niet “een spook” of “een schaduw” of “een enge meneer”. Hij zei het alsof het een feit was. Als een waarneming. Als iemand die in de keuken staat terwijl jij in de gang je schoenen uittrekt.
Het verhuisbedrijf begon buiten te roepen. Stemmen. De eerste kartonnen dozen die tegen elkaar tikten. Het leven dat zich weer in beweging duwde.
Lena legde haar hand op Noahs schouder.
“Kom. We gaan je kamer kiezen. Dan kunnen we je bed zetten. Eerst dat, oké?”
Noah liet zich leiden, maar zijn blik bleef hangen bij de spiegel alsof hij een afspraak had die hij niet wilde missen.
Ze liep voorbij de spiegel zonder te kijken. Ze voelde het toch. Een soort druk in haar rug, alsof iets achter glas naar haar adem luisterde.
Boven was het iets warmer. Of misschien was het gewoon minder zwaar. De gang boven had drie deuren. Eén naar een slaapkamer die op de tuin uitkeek, één naar een kleinere kamer met een scheef raam, en één naar een badkamer met blauwe tegels die zo oud waren dat ze bijna weer modern leken.
Noah koos de kamer met het scheve raam.
“Deze,” zei hij. “Hier kan ik zien wie er komt.”
Lena forceerde een glimlach.
“Niemand komt, Noah. Het is ons huis.”
Ze zei het alsof ze het moest oefenen. Ons huis. Niet tijdelijk. Niet “voor even”. Niet “tot we iets anders vinden”. Ze had hem een nieuw begin beloofd. Een rustig dorp, een tuin, een kamer die echt van hem was. Geen buren die door de muur hun ruzies deelden. Geen sirenes in de nacht.
Het was een goed plan. Het had in haar hoofd heel geloofwaardig geklonken.
Buiten klonk een doffe bons. De mannen van het verhuisbedrijf hadden hun ritme gevonden, hun stevige, praktische ritme. Lena liep terug naar beneden om hen te ontvangen, en iedere keer dat ze de trap afging, voelde ze die spiegel in de hal als een koude aanwezigheid. Niet bedreigend op een theatrale manier. Eerder… oplettend. Als een kat die je niet kent en die beslist of je de moeite waard bent.
“Waar wilt u de grote kast?” riep één van de verhuizers.
Lena wees, organiseerde, glimlachte. Ze deed wat ze altijd deed: ze werd functioneel. In haar hoofd maakte ze lijstjes. Schoonmaakspullen. Bed opmaken. Noah eten geven. Dozen labelen. Thuis maken.
Maar telkens ze langs de spiegel liep, merkte ze dat haar blik toch een seconde bleef hangen. Niet om iets te zien, maar om zichzelf te checken. Om te kijken of ze er nog was, en of ze eruitzag zoals ze hoorde.
Het viel haar pas op na de derde keer dat de spiegel iets met haar deed.
Ze liep van de keuken naar de hal met een doos vol pannen in haar armen. Ze zag haar reflectie, vluchtig, in de donkere spiegel. Haar wangen waren rood van inspanning. Haar haar zat rommelig opgestoken. Ze had een streep stof op haar voorhoofd.
En achter haar, in de spiegel, was de gang net iets langer.
Niet veel. Een halve meter misschien. Maar genoeg om haar pas te vertragen. In de echte hal eindigde de gang bij de trap. In de spiegel leek er nog een hoek te zijn, een extra stukje muur dat er niet hoorde.
Toen ze stopte, stopte haar spiegelbeeld ook. Het extra stukje gang bleef.
Lena knipperde. Ze schoof de doos wat hoger tegen haar borst, alsof ze daarmee haar eigen zenuwen kon vastklemmen. Ze keek weg, deed alsof het niets was. Licht. Hoek. Oude spiegel. Vreemde optische truc.
Maar toen ze een stap zette, zag ze het opnieuw. De gang in de spiegel verschoof net iets te laat, als een slecht gesynchroniseerde video.
Het was miniem. Het soort fout dat je normaal pas opmerkt als je al vermoedt dat er iets fout zit.
Ze zette de doos in de keuken neer en bleef even staan met haar hand op het aanrecht. De keuken rook naar karton en koude koffie. Ze had het raam opengezet. Buiten hoorde ze een kraai, ergens in een boom die ze nog niet kende.
Noah kwam de keuken binnen met zijn knuffel onder zijn arm. Een slappe konijnknuffel met één oor dat altijd dubbel zat. Hij keek niet naar Lena, maar naar de hal.
“Hij is daar weer,” zei hij.
Lena voelde haar nekspieren aanspannen.
“Noah, schat. Je weet toch… er is niemand.”
Noah keek haar nu wel aan, en er zat iets ouds in zijn blik dat niet bij zijn leeftijd paste. Alsof hij een groot geheim droeg en het niet wilde, maar het toch moest.
“Mama. Hij kijkt niet naar jou. Hij kijkt naar mij.”
“Waarom zou hij dat doen?”
Noah haalde zijn schouders op alsof het antwoord vanzelf sprak.
“Omdat hij mij wil. Jij bent te groot.”
Lena’s keel werd droog. Ze deed alsof ze moest hoesten, als excuus om even tijd te kopen. Kinderen zeggen rare dingen. Kinderen hebben geen filter. Kinderen hebben ook geen begrip van wat woorden doen met volwassenen.
Maar toch. Jij bent te groot. Alsof dit een spel was met regels.
Ze knielde voor Noah neer, zodat ze op ooghoogte kwam.
“Luister. Dit huis is van ons. Niemand mag jou hebben. Niemand. Als je iets eng vindt, zeg je het meteen. Je hoeft niet flink te zijn, oké?”
Noah knikte. Maar zijn knik was niet gerustgesteld. Het was… berustend.
“Hij zegt dat jij het niet gelooft,” zei Noah. “Hij vindt dat leuk.”
Lena voelde irritatie opkomen, fel en schaamtevol tegelijk. Niet tegen Noah, maar tegen de situatie, tegen haar eigen brein dat wilde meespringen in een kinderverhaal. Tegen de stille muren die te veel ruimte gaven voor gedachten.
“Wie zegt dat?”
Noah keek weer naar de hal, alsof hij daar een stem hoorde.
“Hij.”
Lena stond op. Ze nam bewust een spons en deed alsof ze een vlek wegveegde die er niet was. Ze werd opnieuw functioneel.
“Oké. Goed. We gaan nu eerst eten. Daarna zetten we je bed in elkaar. Daarna lezen we een verhaaltje. En dan slapen we.”
Noah liep mee, maar zijn voeten maakten geen kinderlijke geluidjes. Hij liep stil.
Het eten werd een half succes. Lena zette brood op tafel, kaas, komkommer, een potje yoghurt dat Noah meestal graag leeg lepelde. Hij at, maar traag, en hij keek telkens naar de deur van de keuken alsof hij verwachtte dat iemand binnen zou wandelen.
“Is het hier stil, mama?” vroeg hij plots.
Lena slikte een hap brood door.
“Ja. Dat is toch fijn?”
Noah frunnikte aan het oor van zijn knuffel.
“Het is niet stil. Het fluistert.”
Lena zette haar glas neer. Ze dwong zichzelf om niet te luisteren. Niet echt. Want als je luistert, gaat je brein dingen invullen. Een huis heeft geluiden. Leidingen. Wind. Oude ramen.
“Wat hoor je dan?”
Noah keek weer op die manier langs haar heen.
“Namen.”
Lena voelde kippenvel over haar armen kruipen alsof iemand een koude hand langs haar huid streek.
“Welke namen?”
Noah schudde zijn hoofd.
“Ik mag ze niet zeggen.”
Lena stond te snel op, haar stoel schuurde over de vloer. Ze lachte te hard.
“Oké, genoeg enge verhalen. We gaan je bed bouwen.”
Ze bouwden het bed met het soort frustratie dat altijd bij Ikea hoort, alsof het bedrijf een contract heeft met menselijke wanhoop. Noah hield de schroeven vast, Lena las de handleiding drie keer en deed toch iets verkeerd. Het was bijna normaal. Tot Noah, zonder waarschuwing, stopte met helpen.
Hij stond bij het raam en keek naar buiten. Lena zag zijn reflectie in het raamglas, klein en stil, en daarachter haar eigen gezicht. Ze vroeg zich af of ze er ouder uitzag dan vorige week. Of je in een paar dagen kan verouderen door alleen maar te verhuizen en te doen alsof je niet kapot bent.
“Noah, schat. De houten latten.”
Noah draaide zich om.
“Mama,” zei hij zacht, “in die spiegel beneden… kan je daarin?”
Lena lachte weer, te snel.
“Natuurlijk niet. Dat is glas.”
Noah keek naar haar alsof ze iets doms had gezegd.
“Maar hij kan eruit.”
Lena voelde hoe haar geduld aan haar ribben begon te krabben. Ze wilde boos worden omdat boosheid eenvoudiger was dan angst.
“Noah. Stop. Oké? We gaan onszelf niet bang maken.”
Noah knikte. Maar hij keek weg, niet omdat hij begreep, maar omdat hij iets anders zag.
Lena zette de laatste lat vast en trok het bed stevig. Noah sprong erop, testte, lachte heel even, echt even. Lena voelde hoe haar hart zich daaraan vastklampte.
Toen het donker werd, begon het huis te veranderen.
Dat was misschien verbeelding. Licht doet dingen. Schaduwen krijgen randen. Geluiden worden luider omdat je minder ziet. Maar toch… de kamers leken zich te herschikken, alsof het huis in het donker andere gewoontes had.
Lena deed overal de lampen aan. Ze liet ze aan, ook al zei een rationeel stemmetje dat dat belachelijk was. Ze zette een nachtlampje bij Noah, en nog één in de gang, en nog één beneden in de woonkamer. Het voelde alsof ze licht neerlegde als broodkruimels om zichzelf terug te vinden.
Noah lag in bed met zijn knuffel tegen zijn kin. Lena zat op het randje van de matras met een boek dat ze al tien keer had voorgelezen. Ze las toch, omdat woorden soms een soort hek vormen.
“… en toen zei de beer: ik ben niet bang, want ik ben bij jou.”
Noah onderbrak haar.
“Mama?”
“Ja?”
“Als je in de spiegel kijkt… en je zegt een naam… hoort hij die dan?”
Lena hield haar adem even vast. Ze wilde hem een antwoord geven dat veilig was.
“Wie is ‘hij’, Noah?”
Noah zuchtte alsof zij het was die niet oplette.
“De man. De spiegelman.”
Het woord klonk alsof het uit een oud sprookje kwam. Een figuur die kinderen gebruiken om angst vorm te geven. Maar Noah zei het niet als een sprookje. Hij zei het als een titel. Als iets dat bestaat.
“Ik denk dat spiegels gewoon spiegels zijn,” zei Lena uiteindelijk. “Ze doen niets. Ze horen niets.”
Noah keek naar het plafond.
“Deze wel.”
Lena streelde zijn haar.
“Slaap nu. Morgen doen we de tuin. Dan gaan we het dorp in. We halen warme chocolademelk.”
Noah knikte. Zijn ogen vielen langzaam dicht.
Lena bleef nog even zitten, luisterde naar zijn adem. Ze wilde wachten tot hij echt sliep, echt diep, zodat ze een moment kon hebben waarin ze niet moeder hoefde te zijn maar gewoon mens.
Toen ze naar de deur liep, hoorde ze hem nog één keer fluisteren, half in slaap.
“Hij zegt dat jij ook gaat kijken.”
Lena draaide zich om.
“Wat zei je, schat?”
Noah was stil. Zijn adem was weer traag. Zijn knuffel lag als een bewaker tegen zijn borst.
Lena sloot zacht de deur.
Beneden was het stiller dan ze verwacht had. Niet het soort stilte dat hoort bij een huis waar een kind slaapt. Meer een stilte die luistert.
Ze ging naar de woonkamer, zette een doos open en haalde een plaid eruit. Ze ging zitten op de bank die nog niet op zijn plek stond. Ze staarde naar haar telefoon zonder iets te lezen. Ze voelde hoe haar lichaam moe werd, maar haar hoofd bleef aan.
Ze moest naar de badkamer, maar die was boven, en ze wist dat ze door de hal moest. Voorbij die spiegel.
Ze stond toch op. Ze weigerde haar eigen huis te behandelen alsof het een val was.
De hal beneden was half verlicht door het kleine lampje dat ze had laten branden. De spiegel hing daar, donker als een gat in de muur. Ze liep erheen zonder te kijken. Toen ze ernaast stond, voelde ze de drang om toch te kijken, alsof iets haar kin zachtjes omhoogduwde.
Ze keek.
Ze zag zichzelf. Haar ogen waren groter in het donker glas. Haar huid leek bleker. Achter haar lag de woonkamer. De trap. De deur naar de keuken.
Alles normaal.
Maar toen Lena haar hand opstak om een losse haarlok achter haar oor te steken, gebeurde er iets kleins.
Haar spiegelbeeld deed het ook, maar net te laat. Niet een volle seconde. Een fractie. Een knippering. Een vertraging die je niet kan bewijzen, maar die je lijf wel onthoudt.
Lena hield haar hand halverwege in de lucht. Haar spiegelbeeld hield ook stil. Dit keer synchroon. Ze voelde hoe haar hart sneller ging, niet in paniek, maar in een soort alertheid, zoals bij een dier dat een tak hoort kraken.
Ze liet haar hand zakken. Haar spiegelbeeld zakte mee.
Ze glimlachte, een test. Haar spiegelbeeld glimlachte terug.
Ze knipperde.
Haar spiegelbeeld knipperde ook.
Alles normaal. Alles goed.
En toch. In haar borst zat nu een knoop die er een minuut geleden niet zat.
Lena liep de trap op, deed haar plasje zoals een volwassen vrouw die niet bang is voor spiegels, en poetste haar tanden terwijl ze naar haar eigen gezicht keek in het kleine badkamer-spiegeltje. Dat spiegeltje voelde veilig. Helder. Gewoon glas. Het toonde haar zoals ze was.
Toen ze klaar was, keek ze zichzelf aan en zei zacht:
“Je bent moe. Dat is alles.”
Ze wilde het geloven.
Terug beneden doofde ze de lampen één voor één. Het huis werd donkerder, maar ze liet het lampje in de hal nog even aan, alsof het een concessie was die ze zichzelf gunde.
Toen ze terug de hal in keek, zag ze in haar ooghoek iets op de spiegel.
Handafdrukken.
Ze stond stil. Haar maag trok samen.
Het waren geen duidelijke afdrukken zoals in detectivefilms. Het waren vage vegen, alsof iemand met vochtige vingers over het glas had gegleden. Ze zaten op kinderhoogte. Vier strepen, dun en lang.
Noah had daar vandaag gestaan. Hij had misschien… misschien gewoon zijn handen tegen de spiegel gezet. Kinderen doen dat. Ze laten overal sporen achter.
Lena liep naar de spiegel toe, dichterbij. Ze bukte, bekeek de vegen. Het vocht leek nog niet helemaal opgedroogd. Ze rook eraan, belachelijk instinctief.
Geen geur. Alleen glas.
Ze pakte een doek uit de keuken en wreef over de afdrukken. Het doek gleed stroef, alsof de spiegel iets vasthield. Ze wreef harder. De vegen vervaagden, maar één bleef zichtbaar. Een afdruk die nét te groot was om van een kind te zijn.
Lena’s hand bleef even op het glas rusten. Het was koud. Niet gewoon koud. Meer… diep koud. Zoals steen in een kelder.
Toen ze haar hand wegnam, bleef er een lichte waas achter. Haar eigen handprint.
En daarboven, heel even, alsof het glas het terugkaatste, verscheen een tweede print. Niet van haar.
Hij was breder. De vingers langer. De duim stond anders. Het leek alsof iemand van de andere kant tegen haar hand aan had gedrukt.
Lena hapte naar adem en trok haar hand terug alsof ze zich had gebrand.
Ze staarde naar de spiegel. Haar eigen reflectie staarde terug. Haar gezicht was gespannen. Haar ogen glansden. Ze zag er uit alsof ze iemand was die op heterdaad betrapt was.
Achter haar, in de spiegel, verschoof iets in de donkere gang.
Lena draaide zich om.
Er was niets. Alleen de trap. De muur. De deur naar de woonkamer.
Toen ze weer naar de spiegel keek, zag ze het.
Heel achteraan, in dat extra stukje gang dat er niet hoorde, stond een schaduw. Niet een vorm, niet een mens, meer een verdichting van donker. Alsof iemand een zwart gordijn had opgehangen in een ruimte die niet bestond.
En toen, alsof het donker ademhaalde, kwam er een glimp van iets lichters. Twee bleke vlekken. Ogen, dacht haar brein, automatisch. Ogen zonder gezicht.
Lena’s hart bonsde. Ze wilde roepen, maar haar keel deed niet mee. Ze wilde naar Noah rennen, maar haar voeten bleven hangen, alsof de vloer kleefde.
De schaduw bewoog niet. Maar het leek dichterbij. Niet door stappen. Door aandacht. Door het simpele feit dat Lena keek.
Ze voelde het ineens, heel scherp: kijken was hier niet neutraal. Kijken was een handeling.
Ze dwong zichzelf om weg te kijken. Ze draaide haar hoofd, kneep haar ogen dicht, telde in stilte.
Eén. Twee. Drie.
Toen ze opnieuw keek, was de gang in de spiegel weer normaal. Geen extra hoek. Geen schaduw. Alleen haar eigen reflectie, bleek en ademloos.
Van boven klonk een zacht geluid. Een kinderstem, slaperig, bijna zingend.
“Mama?”
Lena draaide zich om en keek naar de trap.
“Noah?” riep ze terug, en haar stem trilde.
“Hij is wakker,” zei Noah bovenaan de trap, maar Lena zag hem niet. Ze hoorde hem alleen. “Hij zegt dat jij gekeken hebt.”
Lena slikte. Haar mond was droog.
“Noah, kom niet naar beneden. Blijf in je bed, oké?”
“Ik ben niet uit mijn bed,” zei Noah. Zijn stem kwam ergens uit de gang boven. “Ik praat gewoon.”
Lena voelde haar huid koud worden. Ze was zeker dat Noah in zijn kamer was. Ze had de deur dichtgedaan.
Ze stond midden in de hal, met haar hand nog half omhoog, alsof ze zichzelf daarmee kon beschermen.
“Met wie praat je?”
Er kwam een korte stilte. Zo’n stilte die te lang duurt voor een kind dat half slaapt.
Toen zei Noah, heel rustig:
“Met hem. In de spiegel.”
Lena keek naar de spiegel, alsof hij haar naam had geroepen.
Haar reflectie stond daar, precies zoals ze stond. Maar haar mond bewoog.
Niet veel. Geen woorden. Alleen een kleine, onmogelijke beweging, alsof het spiegelbeeld een adem nam die Lena niet nam.
Lena zette een stap achteruit.
En in datzelfde moment hoorde ze een fluistering, niet boven, maar vlak bij haar oor, alsof iemand in de hal naast haar stond.
Een stem zonder warmte. Zonder leeftijd. Zonder duidelijk begin of einde.
“Nu weet je het.”
Lena rende de trap op.
Niet omdat ze zeker wist wat ze gehoord had, maar omdat haar lichaam al besloten had dat het beneden niet langer veilig was.
Boven trapte ze bijna op Noahs knuffel die in de gang lag. Dat konijn met het dubbel oor. Ze bukte, greep hem op, en voelde hoe nat het pluche was, alsof het tegen glas had gedrukt.
Noahs deur stond op een kier.
Lena duwde hem open.
Noah lag in bed. Zijn ogen waren open. Hij keek niet bang. Hij keek alsof hij wachtte.
“Je knuffel lag in de gang,” zei Lena, en haar stem klonk vreemd, alsof ze zichzelf hoorde van ver weg. “Ben je uit bed geweest?”
Noah schudde zijn hoofd.
“Nee. Hij heeft hem gelegd. Om te tonen dat hij kan.”
Lena ging op het bed zitten, trok Noah tegen zich aan en hield hem vast, veel te hard.
“Luister naar mij,” zei ze, en nu brak er iets in haar stem. Niet volledig. Geen paniek. Maar een scheur. “Als je iets hoort, als je iets ziet, je zegt het tegen mij. Altijd. En je kijkt niet te lang in die spiegel. Oké?”
Noah legde zijn hoofd tegen haar schouder, alsof hij zich eindelijk iets jonger mocht voelen.
“Hij zegt dat het te laat is voor dat,” fluisterde hij.
Lena hield Noah nog steviger vast.
“Hij zegt dat hij bijna door kan komen.”
Lena’s blik gleed naar het raam. Het was donker buiten. In het glas zag ze hun reflecties. Zij en Noah. Twee vage vormen in een vreemd huis.
En heel even, achter hen in het raam, zag ze een derde vorm, net buiten de rand van het licht.
Een man.
Lena kneep haar ogen dicht, alsof dat een oplossing was.
Maar de duisternis achter haar oogleden voelde plots niet leeg.
Ze voelde… bekeken.
En ergens beneden, in de hal, hoorde ze een zachte tik tegen glas. Eén keer. Alsof iemand met een nagel tegen een spiegel tikte om te zeggen: ik ben er nog.