Oudejaarsmoord

Oudejaarsavond is gemaakt voor tweede kansen. Voor laatste kussen. Voor mensen die elkaar nog één keer willen geloven.
Maar sommige liefdes tellen niet af naar middernacht. Ze tellen af naar bezit. En wat je bezit, laat je niet zomaar gaan.

 

 

Je kan de stad ruiken op oudejaarsavond.

Kruit dat nog niet is afgestoken, maar al in de lucht hangt.

Natte steen.

Warme adem in koude straten.

De Schelde die donker blijft, ook wanneer de hemel straks openbarst van kleur.

 

Ik stond aan het raam van mijn appartement in Sint-Amandsberg en keek naar mijn eigen weerspiegeling in het glas.

Het was nog geen middernacht en toch voelde het alsof het jaar al voorbij was, alsof ik al te laat was met alles wat ik had willen redden.

 

Op de tafel stond champagne.

Niet uit optimisme, maar uit decorum.

Ik had geleerd dat je sommige avonden aankleedt zoals een wond: netjes, proper, alsof het daardoor minder pijn doet.

Mijn telefoon lag naast de fles, scherm naar beneden.

Niet omdat ik sterk was.

Omdat ik wist dat één melding genoeg was om mijn hart opnieuw in zijn hand te leggen.

 

22:46

 

Buiten hoorde ik testknallen, vroege vuurpijlen van mensen die niet konden wachten om luid te zijn.

In de verte schalde een groep vrienden op straat.

Het klonk licht, bijna kinderlijk, alsof er geen volwassen verdriet bestond.

 

Toen hoorde ik het slot.

Niet de bel.

Het slot.

 

Hij had nog altijd een sleutel.

Natuurlijk had hij nog altijd een sleutel.

Ik had hem ooit gegeven op een dag dat hij lief sprak, op een dag dat hij zei dat hij graag ergens thuis wilde komen.

Ik dacht toen dat “thuis” een plek was, geen kooi.

 

De deur ging open.

 

Hij kwam binnen alsof hij hier hoorde.

Geen twijfel, geen aarzeling, geen schaamte.

Zijn jas droop van de mist, zijn haar was donker van de vochtige lucht.

In zijn handen hield hij een plastic zak van de nachtwinkel.

De stad hing nog aan hem, zoals rook aan kleren blijft plakken.

 

Hij keek naar mij, en er zat iets in zijn blik dat mij meteen op scherp zette.

Niet alleen woede.

Ook honger.

 

"Je bent nog wakker," zei hij.

 

Zijn stem klonk rustig.

Te rustig.

Alsof hij het moeilijke deel al achter de rug had in zijn hoofd.

 

"Ik wist niet dat je zou komen," zei ik.

 

Hij glimlachte kort.

 

"Je wist het wel."

 

Hij zette de zak op tafel.

Sigaretten.

Twee blikjes energiedrank.

Kauwgom.

En een klein doosje vuurwerk, illegaal licht genoeg om meteen fout te voelen.

 

"Voor straks," zei hij, en hij tikte met zijn vinger tegen het doosje.

 

Ik keek ernaar alsof het iets levends was.

 

"Ik heb je niet uitgenodigd," zei ik.

 

Hij deed alsof hij dat niet hoorde.

Hij stapte naar de champagne, pakte de fles op en draaide hem in zijn handen.

 

"Je had het koud gezet," zei hij. "Dat is een teken."

 

Een teken.

Alsof ik in symbolen sprak, terwijl ik vooral in overleven dacht.

 

Ik voelde de oude reflex in mijn lichaam: sussen, glimlachen, het gladstrijken.

De reflex die je aanleert wanneer ruzie altijd eindigt met iets dat je achteraf niet kan uitleggen.

Maar er zat ook iets anders.

Iets dat ik haatte en toch herkende.

 

Hij kon nog altijd binnenkomen als storm en mij laten voelen dat ik bestond.

Hij had mij lang genoeg geleerd dat aandacht hetzelfde was als liefde.

 

Hij stapte dichterbij.

Zijn hand kwam aan mijn pols, niet hard, bijna teder, alsof hij wist dat tederheid mij in de war maakt.

 

"Ik mis je," zei hij.

 

Die woorden hadden vroeger gewerkt.

Ze waren vroeger genoeg geweest om mij te laten omdraaien, om opnieuw te hopen.

 

Ik keek naar zijn vingers rond mijn pols.

Mooie handen.

Nette nagels.

Maar ik zag ook de spanning in zijn knokkels, die witte lijn van iemand die te hard knijpt, zelfs wanneer hij probeert zacht te zijn.

 

"Laat los," zei ik.

 

Zijn duim streek over de binnenkant van mijn pols.

 

"Waarom zou ik?" vroeg hij. "Je bent van mij."

 

Dat zinnetje viel zo vanzelfsprekend dat het even leek alsof de kamer er niet eens van schrok.

Alsof zelfs de muren het al hadden aanvaard.

 

Ik trok mijn arm los.

Hij bleef stil.

Niet gekwetst.

Niet verrast.

Gewoon aandachtig.

Alsof hij keek welke versie van mij vanavond zou winnen: de brave of de wakkere.

 

"Is er iemand anders?" vroeg hij.

 

Zijn toon was bijna luchtig.

Het soort luchtigheid dat je pas begrijpt wanneer je geleerd hebt hoe geweld zich kan verstoppen in kalmte.

 

"Nee," zei ik.

 

Dat was waar.

En toch voelde het alsof ik iets verborg, want er was wel iemand anders: een vriendin die mij de laatste maanden in het echte licht had gezet, die had gezegd dat ik niet gek was, dat ik niet “te gevoelig” was, dat ik het niet moest verdienen om normaal behandeld te worden.

 

Hij knikte langzaam, alsof hij mijn antwoord in een mapje stak.

Toen keek hij naar mijn telefoon.

 

"Waarom ligt die zo?" vroeg hij.

 

Ik voelde mijn hart een tik overslaan.

 

"Omdat ik geen zin heb in meldingen," zei ik.

 

Hij lachte zacht.

 

"Je hebt altijd meldingen gehad."

 

Hij stapte naar de tafel, pakte mijn telefoon op en draaide hem om.

Mijn lichaam wilde naar voren schieten, maar ik bleef staan.

Ik wilde niet reageren zoals iemand die betrapt wordt.

Ik wilde niet dat hij mijn angst rook.

 

Het scherm lichtte op.

Eén bericht, net binnen.

 

‘Ben je veilig?’

 

Hij las het, en ik zag hoe zijn mondhoek even bewoog.

Niet van verdriet.

Van plezier.

Alsof hij eindelijk iets had gevonden om mee te spelen.

 

"Aha," zei hij.

 

Ik zei niets.

Hij stak mijn telefoon in zijn jaszak.

 

"Geef terug," zei ik.

 

"Straks," zei hij. "Eerst het nieuwe jaar"

 

Hij zette muziek op, te luid, te strak.

Bassen die de stilte moesten pletten.

 

Ik haatte dat mijn appartement ineens niet meer van mij voelde.

Hij kwam naar mij toe, legde zijn hand in mijn nek en trok me dichter.

Zijn mond vond de mijne met een zekerheid die mij tegelijkertijd boos en verdrietig maakte.

 

En ja, er was nog altijd vuur.

Dat is het schandalige aan sommige liefdes: je kan iemand haten en toch reageert je lichaam alsof het zich herinnert wat het ooit wilde.

Zijn tong zocht de oude route, alsof mijn mond nog steeds zijn thuishaven was.

Alsof er nooit maanden waren geweest waarin ik mezelf kleiner had gemaakt om de vrede te bewaren.

Alsof ik niet had geleerd om stil te ademen wanneer hij in dezelfde kamer was.

 

Zijn hand in mijn nek drukte iets steviger.

Heel subtiel.

Net genoeg om mijn rug tegen het aanrecht te houden.

Net genoeg om me te laten voelen dat dit niet alleen een kus was, maar een test.

 

Ik trok mijn hoofd weg.

Hij bleef hangen, een paar centimeter van mijn gezicht, alsof hij wilde zien of ik spijt zou hebben.

 

"Waarom doe je zo?" vroeg hij zacht.

 

"Omdat ik niet wil," zei ik.

 

Hij glimlachte even, alsof ik een grap maakte.

 

"Je wil wel," zei hij. "Je doet alleen alsof je niet wil. Dat is het spel."

 

"Dit is geen spel," zei ik. "Dit is mijn leven."

 

Zijn ogen bleven op mij.

Lang.

Intens.

Hij leek zich te voeden met mijn weerstand, alsof dat hem pas echt wakker maakte.

 

"Ben je alleen?" vroeg hij.

 

Ik zei niets.

Hij knikte traag, alsof hij een conclusie trok die hij al lang wilde trekken.

 

"Goed," zei hij. "Dan moeten we niet doen alsof."

 

Hij tikte tegen de champagnefles.

 

"Open hem."

 

"Nee."

 

De teleurstelling op zijn gezicht was bijna zorgvuldig, alsof hij hem oefende.

Daarna kwam die gevaarlijke rust terug, de rust die zegt: ik ga je laten kiezen, maar je kiest wat ik wil.

 

"Waar is je telefoon?" vroeg hij.

 

"Bij jou," zei ik.

 

Hij haalde het toestel uit zijn jaszak, keek naar het scherm alsof hij de berichten kon proeven.

Alsof woorden in een ander zijn telefoon zijn eigen macht bevestigen.

 

"Wie is dat?" vroeg hij.

 

"Een vriendin," zei ik.

 

"Een vriendin," herhaalde hij. "En sinds wanneer heb jij vriendinnen die zich met ons bemoeien?"

 

"Er is geen ons," zei ik.

 

Hij stapte dichterbij, pakte mijn kin tussen duim en vingers, draaide mijn gezicht naar het zijne.

 

"Zeg dat nog eens," fluisterde hij.

 

"Laat me los."

 

"Zeg het."

 

Ik keek hem recht aan, terwijl mijn lichaam onder mijn huid schreeuwde om afstand.

 

"Er is geen ons."

 

De stilte daarna was klein, maar zwaar.

Zelfs de muziek leek een fractie minder luid, alsof de kamer zelf luisterde.

 

Toen greep hij mijn pols.

Hard genoeg om pijn te doen.

Hij trok me dichterbij alsof hij mij terug in mijn eigen huis wilde vastnagelen.

 

"Je gaat niet weg," zei hij. "Niet vanavond."

 

Buiten knalde vuurwerk opnieuw, dichterbij.

Mensen oefenden al hun aftellen, alsof ze bang waren dat ze anders te laat zouden zijn met beginnen.

 

"Je doet mij pijn," zei ik.

 

"Dat is jouw keuze," antwoordde hij.

 

Ik haalde adem, hoog en kort, en dat was het moment waarop ik het zag.

 

Het vuurwerkdoosje lag open op tafel.

Hij had er één vuurpijl uitgehaald.

Een aansteker lag ernaast, klaar.

Alsof hij al eerder had gedacht: als woorden niet werken, werkt lawaai misschien wel.

Als ze bang is, blijft ze.

 

"Wat ben je van plan?" vroeg ik.

 

Hij glimlachte.

Niet warm.

 

"Ik wil dat je luistert," zei hij. "Ik wil dat je mij serieus neemt."

 

Mijn telefoon trilde in zijn hand.

Hij keek, zijn lip trok even op.

 

"Ze blijft bellen," zei hij. "Schattig."

 

Hij hield het scherm onder mijn neus.

 

‘Ik kom eraan. Antwoord.’

 

Mijn hart sloeg hard.

Niet van opluchting.

Van pure angst.

 

"Stuur haar weg," zei ik.

 

"Nee," zei hij. "Laat haar maar komen. Dan ziet ze meteen hoe het zit."

 

Hij liet mijn pols los om mijn telefoon op de tafel te gooien.

Het toestel gleed door naar de rand en bleef half over het tafelblad hangen, alsof het ook twijfelde.

 

Hij nam de vuurpijl in zijn hand.

 

"Ga zitten," zei hij.

 

"Nee."

 

Hij stak de aansteker aan.

Een klein vlammetje, absurd in een keuken waar ik ooit pasta had afgegoten en koffie had gezet.

 

"Ga zitten," herhaalde hij. "Of ik maak herrie."

 

Ik voelde mijn maag draaien.

Hij wilde geen gesprek.

Hij wilde een scène.

Hij wilde dat ik mij schaamde.

Dat ik mij verschool.

Dat ik hem weer de enige maakte die groot genoeg leek om mijn wereld te zijn.

 

Ik zette een stap achteruit, richting de gang.

Hij draaide mee, precies even snel, alsof hij mijn lichaam beter kende dan ik.

 

"Niet doen," zei hij, en zijn stem klonk bijna teleurgesteld.

Alsof hij het jammer vond dat ik hem dwong tot het volgende.

 

Ik bleef bewegen.

Hij kwam dichtbij en fluisterde vlak bij mijn oor:

 

"Ik ga jou niet laten winnen."

 

Die zin was het.

Niet omdat hij bedreigend klonk, maar omdat hij eerlijk was.

Dit ging niet om verzoening.

Dit ging om winnen.

 

Mijn vingers raakten het haakje met de sleutelbos in de gang.

En toen greep hij mij langs achter, zijn arm rond mijn borstkas, hard genoeg om mijn adem te breken.

Mijn sleutels vielen met een metalen gerinkel op de vloer.

 

"Nee," gromde hij. "Niet zo."

 

Ik trapte achteruit, probeerde zijn scheen te raken.

Mijn hak schampte iets.

Zijn greep werd strakker.

Ik voelde zijn adem tegen mijn hals, warm, bezitterig.

 

"Je maakt mij gek," zei hij. "Je hebt mij altijd gek gemaakt."

 

Buiten begon iemand op straat luid te tellen, te vroeg nog, maar iedereen deed mee, alsof het een spel was.

Ik zag het messenblok op het aanrecht.

Gewoon.

Huiselijk.

Een object dat je nooit ziet als gevaar, tot je geen keuze meer hebt.

 

Mijn rechterarm zat half vrij.

Mijn hand strekte zich uit, tastend, blind.

Mijn vingers raakten hout.

Dan staal.

 

Ik trok het eerste mes dat ik voelde.

 

Hij merkte de beweging en spande zich aan, maar hij hield mij te strak vast.

Te dicht.

Te zeker.

Dat was zijn fout.

 

Ik draaide mijn lichaam, duwde mijn elleboog naar achteren, voelde zijn greep even verschuiven.

Mijn hand met het mes kwam omhoog.

 

Het gebeurde snel, maar niet per ongeluk.

Dat is het gruwelijke aan momenten waarop je eindelijk kiest: je weet wat je doet terwijl je het doet.

 

Ik stak.

 

Niet wild.

Niet dramatisch.

Eén korte beweging, dicht tegen ons in, precies op de plek waar hij mij vasthield en ik geen ruimte had om te ontsnappen.

 

Zijn lichaam verstijfde.

 

Zijn arm verslapte een fractie, alsof hij niet begreep dat pijn ook iets is wat hem kan overkomen.

 

Hij maakte een geluid, half adem, half verbaasde lach.

 

"Wat…" begon hij.

 

Ik trok het mes terug.

Mijn hand trilde.

Mijn ogen brandden, maar ik bleef kijken.

Ik moest kijken.

Als ik mijn blik wegdraaide, zou mijn hoofd er later een verhaal van maken waarin ik niets had gedaan.

 

Hij liet mij los.

 

Ik struikelde vooruit, mijn heup tegen het aanrecht, mijn knieën bijna onder mij weg.

Ik voelde mijn hart tegen mijn ribben slaan alsof het wilde ontsnappen.

 

Hij greep naar zijn eigen lichaam, naar de plek waar ik had gestoken.

Zijn vingers werden donker.

Zijn blik schoot naar mij, en er zat geen liefde in.

Alleen ongeloof, alsof hij niet kon vatten dat ik niet langer meedeed in zijn versie van ons.

 

"Jij…" zei hij.

 

Buiten begon het echte aftellen.

 

"Tien!" riep iemand op straat.

 

Ik stond recht.

Het mes voelde te zwaar in mijn hand, alsof het een naam had gekregen.

 

"Negen!"

 

Hij zette een stap naar mij toe.

Wankelend.

Niet met charme.

Niet met dreiging.

Met pure koppigheid.

 

"Acht!"

 

Ik ging achteruit.

 

"Zeven!"

 

Zijn hand raakte de tafel.

De champagnefles viel om en rolde traag, tikte tegen een glas.

Het glas bleef staan.

Dat maakte het bijna ondraaglijk, hoe normaal sommige dingen bleven.

 

"Zes!"

 

Hij keek naar mijn telefoon op de vloer alsof hij hem wilde nemen.

Alsof hij nog één keer controle wilde, nog één keer winnen.

 

"Vijf!"

 

Ik trapte het toestel weg zonder het echt te beseffen.

Het schoof onder de kast, weg van zijn vingers, weg van zijn wereld.

 

"Vier!"

 

Hij zakte door zijn knieën.

Zijn ogen sperden zich wijd open.

Zijn adem ging te snel, dan te traag.

Hij probeerde iets te zeggen dat hem vrij zou spreken, dat hem menselijk zou maken, maar er kwam alleen lucht.

 

"Drie!"

 

Mijn maag keerde om.

Ik wilde naar hem toe.

Ik wilde weg.

Ik wilde dat dit niet echt was.

 

"Twee!"

 

Er werd op de deur geklopt.

Hard.

Snel.

Nog eens.

 

"Één!"

 

De lucht buiten barstte open.

Gelukkig nieuwjaar.

Vuurwerk lichtte mijn keuken op in felle flitsen, alsof de hemel foto’s nam van mijn ergste moment.

De muren knipperden.

De schaduwen dansten.

Het geluid was oorverdovend.

Mijn leven stond stil en de stad werd luider.

 

"Open!" riep een vrouwenstem.

 

Paniekerig.

Bekend.

Mijn vriendin.

 

Ik liet het mes vallen.

Het tikte op de vloer, een scherp, definitief geluid.

 

Ik liep naar de deur en deed open.

Ze stond daar, wangen rood van de kou, ogen wild van angst, adem wolkjes in de gang.

Achter haar glipte een buurman zijn deur open, eerst een kier, dan iets verder, alsof nieuwsgierigheid zich altijd even schaamt en daarna toch wint.

 

"Wat is er?" vroeg ze. "Waarom antwoord je niet?"

 

Mijn mond werkte niet meteen.

Mijn keel voelde dicht, alsof woorden te groot waren om door te laten.

Toen keek ze over mijn schouder.

De keuken in.

Ze zag hem.

Ze zag het vuurwerkdoosje, de omgevallen champagne, het mes op de grond.

Haar hand vloog naar haar mond.

 

"Oh mijn god," fluisterde ze.

 

"Bel 112," zei ik.

 

Mijn stem klonk vreemd vlak.

Alsof ik een taak gaf op het werk.

Alsof ik niet in mijn eigen keuken stond met het nieuwe jaar aan mijn voeten en het oude op de vloer.

 

Ze nam haar telefoon, trillend, en praatte te snel tegen de operator.

Sint-Amandsberg.

Een man.

Bloed.

Snel.

Alsjeblieft.

 

De buurman stapte de gang in, nu helemaal wakker, nu ineens verantwoordelijk.

 

"Mevrouw, gaat het?" vroeg hij.

 

Ik knikte, zonder te weten wat ik bevestigde.

 

Buiten bleef het vuurwerk knallen.

Mensen gilden van plezier.

Iemand toeterde met een auto alsof geluk lawaai moest maken om echt te zijn.

 

Binnen hoorde ik alleen de stem van de operator, het breken van mijn vriendin haar woorden, en mijn eigen hart dat bleef doen alsof het moest overleven.

 

Toen kwamen de sirenes.

Blauw licht schoof over de trappenhal, over de brievenbussen, over mijn deurmat.

Het zag er onwerkelijk uit, alsof het bij een ander appartement hoorde.

 

De politie kwam binnen met natte schoenen en professionele gezichten.

Ze keken naar mij, naar mijn vriendin, naar de keuken.

Een agente keek meteen naar mijn handen.

 

"Waar is het wapen?" vroeg ze.

 

Ik wees naar het mes op de grond.

Mijn vinger trilde.

 

"Daar," zei ik.

 

Ze knikte kort en stapte richting keuken.

Haar collega bleef bij mij, stem kalm, ogen alert.

 

"Wat is er gebeurd?" vroeg hij.

 

Mijn vriendin keek me aan alsof ze me wilde redden met haar blik, alsof ze het mes uit de tijd kon trekken en alles terug kon zetten.

Ik slikte.

Ik dacht aan zijn sleutel.

Aan zijn arm rond mijn borstkas.

Aan de vuurpijl in zijn hand.

Aan de zin in mijn oor, dat ik niet mocht winnen.

 

Maar wat er uit mijn mond kwam was kleiner.

Schraler.

Eerlijker.

 

"Ik heb nee gezegd," zei ik.

 

De agent hield zijn blik op mij, alsof hij het gewicht van die zin proefde.

 

"En toen?" vroeg hij.

 

Ik ademde in.

Het rook naar kruit door het kiepraam, gemengd met iets metaalachtigs dat ik niet wou benoemen.

 

"En toen heb ik hem gestoken," zei ik.

 

Mijn vriendin maakte een geluid dat leek op een snik.

De buurman in de gang vloekte zacht en deed een stap achteruit.

In de keuken hoorde ik de andere agenten praten.

Korte zinnen.

Medische woorden.

Tijdstip.

 

De ambulance kwam ook.

Ze liepen snel, maar niet paniekerig.

Alsof ze al wisten wat ze zouden aantreffen.

 

Een ambulancier keek naar mij en vroeg: "Bent u gewond?"

 

Ik schudde mijn hoofd.

Hij keek naar mijn gezicht en begreep dat er andere wonden bestaan.

 

De agente kwam terug uit de keuken.

Haar ogen waren scherp, maar niet hard.

 

"Mevrouw," zei ze, "u moet met ons mee om een verklaring af te leggen."

 

Ik knikte.

Mijn knieën voelden ineens zwak.

Mijn vriendin greep mijn arm, voorzichtig, alsof ze bang was dat ik in stukken zou vallen.

 

"Ik ga mee," zei ze tegen de agente.

 

"Dat kan," antwoordde de agente. "Maar eerst moet ze alleen met ons praten."

 

Ik keek nog één keer de keuken in.

Hij lag daar, klein ineens.

Niet groter dan zijn fouten.

Niet groter dan zijn overtuiging dat hij mij kon houden.

 

Op de vloer lag het vuurwerkdoosje open, als een grap van het universum.

Alsof dit altijd al met knallen moest eindigen.

 

Buiten ging het feest door.

Binnen begon de werkelijkheid.

 

En ik wist, met een helderheid die bijna pijn deed: oudejaarsavond is gemaakt om iets af te sluiten.

Soms is het alleen niet het jaar.