Hij zegt dat hij niemand kwaad wilde doen. Dat hij alleen dichtbij genoeg wilde blijven om te kunnen ingrijpen als het misliep. Jarenlang is hij een onzichtbare schaduw achter één vrouw, overtuigd dat hij haar leven beter kent dan zijzelf. Tot iemand anders zijn aanwezigheid plots wél ziet.
Altijd net buiten beeld is een beklemmend verhaal in de stijl van een true crime-getuigenis, recht uit het hoofd van een man die zichzelf nog altijd geen dader noemt.
Ze noemen mij een stalker.
Ik vind dat een lelijk woord.
Het klinkt alsof je het uit een rek haalt, naast de melk en de cornflakes.
Alsof je op een ochtend wakker wordt, je koffie drinkt en beslist: vandaag ga ik iemands leven binnendringen. Bewust.
Berekenend.
Met plezier.
Zo werkt het niet.
Het is niet begonnen met een plan. Het is begonnen met een gevoel dat ik niet kon uitzetten.
Een alarm dat blijft afgaan, ook wanneer iedereen doet alsof er niets aan de hand is.
Jullie vragen altijd naar het begin.
Alsof er één startlijn is die je met een fluostift kan omcirkelen in mijn hoofd.
Alsof ik ergens de eerste stap heb gezet en dat alles daarvoor nog normaal was.
Misschien moet ik dan maar beginnen bij die dinsdag.
Het was een gewone dag.
Wat ironisch is, als ik er nu aan terugdenk.
Ik zie haar eerst in de supermarkt.
Niet op een filmische manier.
Geen vertraagde beelden, geen dreigende muziek.
Alleen rijen TL-lampen, een rek met yoghurt, en een kar met een wiel dat tikt alsof het met elke meter mijn aandacht terug op haar wil trekken.
Zij loopt voor mij uit.
Een mandje in plaats van een kar, alsof ze nooit veel nodig heeft.
Alsof haar leven klein gehouden wordt uit voorzichtigheid.
Haar jas is blauw.
Ik onthoud dat omdat het geen flatterende kleur is.
Te flets, te braaf. Een kleur voor mensen die geen vragen willen oproepen.
Haar haar zit in een slordige staart.
Niet slordig als stijl, maar slordig als haast.
Iemand die zich heeft aangekleed zonder in de spiegel te willen kijken.
Ze blijft staan bij de melk.
Ze pakt halfvolle, zet die terug, pakt magere.
Een minieme aarzeling.
Een keuze die niks betekent, en toch alles zegt.
Mensen verraden zichzelf in details.
In de manier waarop ze iets oppakken en terugzetten, alsof ze hun eigen plek in de wereld even moeten heronderhandelen.
Ik let daar op.
Professioneel, als je het zo wil noemen.
Dat is misschien belangrijk om te zeggen.
Ik ben geen man zonder leven.
Ik werk al jaren in beveiliging.
Winkeldiefstal, toegangscontrole, camerabeelden, incidentenrapporten.
Je leert kijken zonder te staren.
Je leert patronen herkennen.
Je leert inschatten wanneer iemand gaat rennen nog voor hij zelf beslist.
Zij valt me op omdat ze níets verdachts doet.
En net dat, dat radicale onopvallende, blijft aan mij hangen.
Geen twijfel, geen rondkijken, geen telefoon vastgeplakt aan haar hand.
Alles aan haar zegt: ik wil hier zo snel mogelijk weg.
Alsof zelfs boodschappen doen te veel contact is.
Wanneer ze afrekent, zie ik in haar mandje een routine.
Pasta, tomaten, kaas, yoghurt, brood, kattenvoer.
Eén kat, denk ik.
Misschien twee, maar eerder één.
Het soort mens dat alleen woont, maar weigert haar huis vol te zetten met geluid om de stilte te maskeren.
Twee dagen later zie ik haar opnieuw.
Niet in de supermarkt, maar op straat.
Drie straten verder dan mijn appartement.
Andere jas, dezelfde stap.
Telefoon tegen haar oor, sleutels al in de hand, alsof ze altijd net te laat is voor haar eigen voordeur.
Ze lacht ergens om.
Kort.
Schor.
Een lach die je krijgt wanneer je niet vaak hardop lacht.
En dan gebeurt het.
De fout.
Het detail dat alles in beweging zet.
Ze steekt over zonder te kijken.
Ik zie de auto nog.
Grijs.
Te snel.
Bestuurder met één hand aan het stuur, de andere ergens lager, waar een scherm oplicht.
Die fractie van een seconde waarin ik zeker weet dat dit misloopt.
Waarin ik haar al zie vallen.
Haar hoofd tegen de stoep.
Die blauwe jas die plots te stil wordt.
Het gebeurt niet.
Remlichten.
Een vloek door een open raam.
Haar lichaam dat verstijft en dan versnelt.
Zij loopt door, zichtbaar geschrokken.
Hij rijdt door, zichtbaar geïrriteerd.
Alsof zij het probleem was, en niet hij.
En ik blijf staan met een hart dat bonst tot in mijn kaak.
Dat is het moment waarop ik besluit dat iemand beter oplet dan zij.
Dat ik dat iemand kan zijn.
Jullie trekken nu een gezicht.
Jullie denken: wie ben jij om dat te beslissen.
Maar zeg mij dan eens.
Wat als hij haar wél had geraakt die dag.
Wie had haar naam gekend.
Wie had kunnen zeggen wat er in haar mandje lag.
Wie had kunnen vertellen dat ze altijd even twijfelt bij de melk, alsof zelfs daar een risico in schuilt.
Ik had het gekund.
Ik had haar verhaal kunnen vertellen.
Is dat zo anders dan wat jullie doen, met dossiers en beelden en vragen.
Jullie kijken ook.
Jullie leggen ook vast.
Jullie noemen het alleen anders.
De derde keer dat ik haar zie, is het geen toeval meer.
Ik zal daar eerlijk over zijn.
Vanaf dan begin ik te letten op haar uren.
Haar route.
Welke dagen ze de supermarkt binnenloopt en welke dagen ze alleen langs de ramen van de bakker glijdt zonder binnen te gaan.
Altijd ongeveer hetzelfde uur.
Ik hoef nog niet eens mijn best te doen.
Zij leeft op herhaling.
Ik geef haar in mijn hoofd een naam.
Niet haar echte naam, die weet ik dan nog niet.
Ik noem haar onder mezelf: Maandag.
Omdat ik haar op een dinsdag voor het eerst zag, en omdat ze eruitziet als het begin van iets waar ze zelf niet om gevraagd heeft.
De eerste weken hou ik het, zoals jullie dat zouden noemen, veilig.
Op afstand.
Aan de overkant van de straat.
Een paar stappen achter haar aan richting bushalte.
Niet dicht genoeg om haar geur te kennen, wel dicht genoeg om te weten wanneer ze versnelt.
Ik ben goed in onzichtbaar zijn.
Jaren in uniform leren je hoe je opvalt wanneer men dreiging zoekt, en hoe je verdwijnt wanneer men gerustgesteld wil worden.
Je verandert gewoon van decor.
Winkel.
Straat.
Tram.
Online.
Want natuurlijk zoek ik haar op.
Het is geen kunst.
Eén keer opletten wanneer iemand haar aanspreekt.
Eén keer zien welke naam op een pakketje staat dat ze onder haar arm draagt.
Eén keer iets te lang meekijken naar een brievenbus wanneer ze binnen is.
Dan heb je genoeg.
Niet omdat zij het verdient, maar omdat systemen gemaakt zijn om gevonden te worden.
De rest geeft ze zelf.
Vrijwillig.
Met foto’s en onderschriften en een profiel dat openstaat alsof privacy een ouderwets woord is.
Jullie doen alsof ik de grens heb overschreden.
Maar wie heeft die grens eerst verplaatst.
Zij, die haar leven op straat legt.
Of ik, die het alleen maar opraap.
Ik leer haar kennen op een manier waarop niemand een mens zou moeten kennen.
Ik weet dat ze haar plant op de vensterbank vaak vergeet water te geven, behalve op zondag.
Alsof zondag de dag is waarop ze nog gelooft dat kleine dingen ertoe doen.
Ik zie dat ze de was droogt op een rek in de woonkamer.
Ik zie dat die blauwe jas altijd ergens in de buurt hangt, klaar voor vluchten, klaar voor verdwijnen.
Vanop de overkant zie ik haar schrikken wanneer er aangebeld wordt.
Ze wacht altijd.
Laat het minstens twee keer gaan voor ze naar de deur loopt.
Niet omdat ze onbeleefd is, maar omdat ze eerst wil weten wie haar wereld probeert binnen te komen.
Twee maanden lang verandert er niets.
En precies dat niets beangstigt mij.
Wie leeft er zo stil in een stad.
Wie kan zo weinig rimpels maken in water dat altijd beweegt.
Ik begin mezelf wijs te maken dat het tijdelijk is.
Dat ik alleen kijk tot ik zeker ben dat het goed gaat.
Tot ik zeker ben dat die blauwe jas niet eindigt op het trottoir.
Dat er een moment komt waarop ik kan zeggen: nu mag ik stoppen.
Maar dat moment komt niet.
In plaats daarvan komt hij.
Hij duikt op in week negen.
Een man die niet past in haar decor.
Te luid, te aanwezig, te breed in zijn gebaren.
Hij stapt haar wereld binnen alsof hij recht heeft op haar stilte.
Ik zie hem voor het eerst bij haar deur, met een pizzadoos in zijn hand.
Geen bezorger.
Gewoon een man met pizza, alsof dat vanzelfsprekend toegang geeft.
Hij leunt tegen de deurpost.
Zij lacht.
Die zeldzame lach komt nu sneller, makkelijker, en dat maakt mij niet gerust.
Het maakt mij wantrouwig.
Hij mag binnen.
Dat is de eerste avond dat het licht langer blijft branden.
En de eerste nacht dat de gordijnen dichtgaan.
Het ergste is niet dat hij binnen mag.
Het ergste is dat ik hem nooit zag aankomen.
Geen gedeelde bushalte.
Geen toevallige passage in de supermarkt.
Geen spoor in haar online leven.
Opeens is hij er.
Alsof hij uit het niets is gevallen.
Ik begin hem te tellen.
Eén bezoek per week.
Dan twee.
Dan een weekend waarin hij niet meer weggaat.
Onder jullie notities zal ergens staan: jaloezie als motief.
Maar jaloezie is te simpel.
Jaloezie is kinderlijk.
Ik ben niet boos dat hij haar aandacht heeft.
Ik ben boos dat hij haar patroon verstoort.
Dat hij binnenloopt in een leven waar ik al weken op voorspelbaarheid vertrouw.
Hij praat te luid.
Hij drinkt te veel.
Hij laat licht branden in de keuken alsof hij niet begrijpt dat sommige mensen donker nodig hebben om te kunnen ademen.
En vooral.
Hij kijkt nooit naar de straat.
Nooit naar de overkant.
Een man die nooit controleert of hij bekeken wordt, heeft ofwel niets te verbergen, ofwel te veel.
Jullie hebben de camerabeelden gezien.
Dat weet ik.
De stilstaande frames waarin ik daar sta met mijn handen in mijn zakken, blik op haar ramen.
Jullie hebben seconden vastgepind.
Jullie hebben van pixels een oordeel gemaakt.
Maar camera’s zien alleen wat recht voor hun lens valt.
Ze hebben niet gezien hoe hij haar arm iets te hard vastpakt bij de brievenbus wanneer ze op een avond naar buiten wil en hij duidelijk niet akkoord is.
Ze hebben niet gehoord hoe zijn stem lager wordt.
Hoe haar schouders kleiner worden.
Hoe ze haar blik naar beneden trekt alsof ze wil verdwijnen in haar eigen lichaam.
Ze hebben niet gezien hoe ze drie dagen later buitenkomt met een pet die ze anders nooit draagt.
Een belachelijk grote pet, alsof ze zich wil verstoppen voor een wereld die te scherp kijkt.
Ze trekt haar sjaal hoger wanneer ze iemand kruist, alsof lucht plots iets is waar je voorzichtig mee moet zijn.
Ik durf niet te zeggen wat er in die tussenruimte is gebeurd.
Jullie zullen het zelf wel invullen.
Controle drang.
Drank.
Misschien niets.
Misschien ben ik degene die patronen ziet waar geen zijn, omdat ik te dicht op het beeld kleef.
Maar er is één ding dat ik zeker weet.
Vanaf die week kijkt ze vaker over haar schouder.
Niet naar mij.
Nooit naar mij.
Altijd naar iets dat dichterbij staat.
De eerste keer dat ze mij echt ziet, gebeurt het niet op straat.
Het gebeurt online.
Ze post een foto van koffie op maandagochtend.
Een kop op een tafel die ik al honderd keer vanop afstand heb gezien.
In het raam herken ik de reflex van de straat.
Onder de foto staat een caption:
Sometimes it feels like someone is always watching.
De meeste mensen lezen dat als een grap.
Als een banale zin onder een banale foto.
Ik weet beter.
Ik scrol terug door haar oude posts.
Oude woorden.
Ze schreef dat soort zin nog nooit.
Niet die formulering.
Niet die toon.
Het voelt als een vinger die zonder te wijzen toch precies weet waar jij staat.
Diezelfde avond staan er nieuwe sloten op haar deur.
Ik zie hoe een man met gereedschap naar binnen gaat en weer buiten komt.
Een korte ingreep, maar het verandert iets dat ik niet meteen kan benoemen.
Niet in haar huis.
In mij.
Onzichtbaar zijn is alleen geruststellend zolang je zeker weet dat de ander jou niet ziet.
Vanaf dat moment is het spel veranderd.
Jullie willen weten waarom ik die avond naar binnen ben gegaan.
Ik kan liegen.
Ik kan zeggen dat ik alleen wilde controleren of zij oké was.
Of hij weg was.
Of de deur veilig was.
Ik kan zeggen dat ik alleen wilde kijken of de dingen klopten met het beeld in mijn hoofd.
De waarheid is dat de grens al weken verschoven was tegen de tijd dat ik daar stond.
Ik wacht tot het donker is.
Niet midden in de nacht, want dan val je op.
Op het uur waarop buren stoppen met luisteren naar geluiden die niet hun probleem zijn.
De lichten bij haar zijn bijna allemaal uit.
Ik had gezien dat hij die dag niet was langsgekomen.
Geen auto die bleef staan.
Geen stappen die ik herkende.
Ik kies niet voor drama.
Ik kies voor de weg die niemand in zijn hoofd bijhoudt.
Niet omdat ik stoer ben.
Omdat ik te lang heb gekeken naar hoe mensen denken dat veiligheid er van buiten uitziet, terwijl ze vergeten hoe kwetsbaar ze van binnen zijn.
Binnen ruikt het naar eten dat te lang in een pan heeft gestaan en naar wasmiddel dat de lucht proper moet laten lijken.
In de keuken staat een fles op het aanrecht, leeg.
In de woonkamer ligt een dekentje half op de vloer, alsof iemand midden in iets is opgestaan en niet heeft teruggekeken.
Ik loop niet willekeurig rond.
Ik loop de route die ik in mijn hoofd al duizend keer heb afgelegd vanaf de overkant.
Hal.
Woonkamer.
Keuken.
Terug.
Dan richting slaapkamer.
Bij de slaapkamerdeur stokt mijn adem.
Het licht is uit, maar er valt een smalle strook straatlicht naar binnen langs de rand van gordijn en raam.
Ik zie contouren.
Een bed.
Een lichaam dat op de zij ligt, rug naar de deur.
Zij.
Dat is het moment waarop ik had moeten omdraaien.
Dat besef ik zelfs nu.
Ik zeg haar naam niet hardop.
Niet daar, niet hier.
Jullie kennen hem al.
Jullie hebben hem al in jullie papieren gezet, zwart op wit, alsof een naam iets kan uitleggen.
Ik blijf staan in de deuropening.
Alles in mij schreeuwt dat dit de lijn is.
Als ik nu wegga, ben ik nog altijd iemand die kijkt.
Als ik dichterbij kom, word ik iets anders.
Maar ik zie die pet.
Op een stoel, naast het bed.
Die belachelijke, veel te grote pet.
En ik zie een verkleuring op haar arm, half verborgen onder de mouw van haar T-shirt.
In dat flauwe licht lijkt het alsof haar huid zelf iets probeert te zeggen.
Ik weet dat jullie gaan zeggen dat ik dat later heb ingevuld.
Dat ik die plek misschien pas echt heb gezien op foto’s.
Dat mijn geheugen zich aanpast aan het verhaal dat ik wil vertellen.
Maar in mijn hoofd was het die avond echt.
Kleur op kleur.
Bewijs op bewijs.
Ik zet één stap.
Dan nog één.
Ik vertel mezelf dat ik alleen wil zien of ze ademt.
Of ze oké is.
Dat is de zin waar ik naar terugkeer, alsof hij mijn schuld kan oplossen.
Wanneer ik naast het bed sta, zie ik haar gezicht niet.
Alleen haar haar, uitgevloeid over het kussen.
Mijn hand beweegt voor ik er erg in heb.
Ik raak het laken aan, heel licht, net boven haar schouder.
Een gebaar dat in een andere wereld teder zou kunnen zijn.
Ze schrikt wakker.
De snelheid waarmee ze overeind komt, herinnert mij eraan dat sommige mensen niet slapen.
Ze rusten alleen in kleine stukken, altijd klaar om te vluchten.
Ik stap achteruit.
Mijn handen omhoog.
Ik zeg haar naam, zacht.
Ik zeg dat ze niet moet schrikken.
Dat ik haar alleen wilde beschermen.
Mijn stem houdt niets achter.
Alles wat normaal verstopt blijft in de schaduw van mijn hoofd, valt plots tussen ons in, als rommel die je niet meer kan terug oprapen.
Zij gilt.
Geen filmische gil, geen lange uithaal.
Eerder een rauw geluid, alsof het van binnenuit breekt.
Ze grijpt naar haar nachtkastje.
Naar haar telefoon.
Haar vingers vinden de knop sneller dan ik ooit had kunnen verhinderen.
Ik weet nog dat ik zeg:
"Rustig. Ik ben het maar."
Alsof ik, in haar slaapkamer, ooit "maar" iets had kunnen zijn.
Wat er daarna gebeurd is, kennen jullie uit de rapporten.
Buren die wakker worden van geluid.
Een vrouw die door de telefoon huilt dat er een man in haar huis staat.
Mijn stem op de achtergrond, te kalm, te uitleggerig, alsof ik nog steeds geloof dat woorden iets kunnen rechtzetten.
De sirenes.
De bevelen.
De handen die mijn polsen vinden.
De koude lucht in de gang.
De blauwe lichten buiten die alles plat maken, alsof nuance een luxe is.
Jullie maken daar een rechte lijn van.
Observatie.
Obsessie.
Inbraak.
Aanhouding.
Ik zie het niet in lijnen.
Ik zie het in cirkels.
In alle keren dat ik haar niet heb aangeraakt.
In alle keren dat ik omgekeerd ben aan het einde van de straat.
In alle momenten waarop ik dacht dat ik iets goeds deed door op te letten.
Dat is misschien het gevaarlijkste aan mensen zoals ik.
Dat we geloven dat we nodig zijn.
Dat we in elke sirene een bevestiging horen.
Niet van onze schuld, maar van ons gelijk.
Zie je wel, denk ik soms nog.
Hij hield haar niet veilig.
Ik wel.
Ik was tenminste daar.
Wat jullie nooit zullen begrijpen, is dat ik mij nu nog altijd meer getuige voel dan dader.
Alsof ik niet de man ben die in haar slaapkamer stond, maar de man aan de overkant van de straat die naar een raam keek en dacht: als er iets gebeurt, ben ik de eerste die het ziet.
Misschien is dat het engste aan dit alles.
Niet dat ik ben binnengegaan.
Maar dat ik diep vanbinnen nog steeds geloof dat zij zonder mij minder veilig was.
Ze hebben mij gevraagd of ik spijt heb.
Die vraag komt altijd terug.
In jullie programma’s, dossiers, rapporten.
Mensen willen horen dat iemand spijt heeft.
Het is een geruststelling.
Een pleister op een gat dat niet dichtgaat.
Ik heb spijt van die seconde in de deuropening.
Van het moment waarop ik koos om verder te gaan en niet terug.
Ik heb spijt van elke meter die ik door haar gang liep.
Van elk woord dat ik in haar slaapkamer heb uitgesproken.
Maar als jullie mij vragen of ik spijt heb dat ik haar zag.
Dat ik die auto zag.
Dat ik oplette.
Dat ik het patroon herkende.
Dan weet ik niet wat ik moet antwoorden.
Als ik ja zeg, lieg ik.
Als ik nee zeg, worden jullie bang.
Misschien is de eerlijkste zin deze:
Ik weet niet hoe ik anders had moeten zijn.
Jullie noemen het stalking.
Ik noem het altijd net buiten beeld leven, tot iemand de camera een fractie draait en ontdekt dat je er al die tijd al stond.
Dat is het verschil tussen jullie en mij.
Jullie willen een einde.
Een duidelijke les.
Een conclusie waar je op kan inzoomen en een quote onder kan zetten.
Ik heb alleen een verhaal met een begin dat geen begin was, en een einde dat geen einde is.
Ik zit hier.
Zij daar.
Onze straten kruisen elkaar niet meer.
Er is afstand in kilometers nu, en in verboden die zwart op wit staan.
En toch denk ik soms nog aan haar.
Niet omdat ik dat wil.
Maar omdat mijn hoofd jarenlang rond haar draaide en nu nog niet weet hoe het moet stoppen.
Als het licht hier ’s avonds uitgaat en er alleen nog een smalle streep onder de deur ligt, beeld ik mij in hoe het straatlicht nog steeds langs haar gordijnen komt.
Hoe ze die pet misschien eindelijk heeft weggegooid.
Hoe ze misschien niet meer kijkt over haar schouder.
Jullie hopen dat ik het nooit meer doe.
Ik hoop dat ik het nooit meer nodig vind.
Dat is het dichtste dat ik kom bij spijt.
Niet als woord, maar als wens.
De wens dat niemand mij ooit nog de kans geeft om te geloven dat ik onmisbaar ben in de schaduw van iemands leven.
Tot die tijd blijven jullie mij noemen wat jullie willen.
Stalker.
Dader.
Gevaar.
Ik blijf degene die aan de andere kant van het glas zit en zich afvraagt wanneer kijken ophoudt en wanneer het begint.
En het ergste is niet dat ik dat niet kan uitleggen.
Het ergste is dat ik het nog altijd een vraag vind die het waard is om te stellen.