De stad vergeeft snel.
Woorden verdwijnen, levens gaan verder.
Maar in de schaduw verzamelt iemand elke sorry, elke uitweg, elke gemiste consequentie, tot de balans eindelijk wordt rechtgezet.
De regen is niet zomaar regen. Het is een gordijn dat de stad een ander gezicht geeft. Neonlichten breken in glanzende aders over het asfalt. Water kruipt langs stoepranden, zoekt putten, verdwijnt en komt elders weer omhoog als adem uit een long die te lang is ingehouden.
Ik sta onder een luifel en kijk naar de straat alsof ik naar een toneelstuk kijk waarvan ik de afloop al ken. Mijn kleren zijn vochtig tot op de huid. Mijn sokken plakken. Mijn vingers zijn koud, maar in mijn borst zit warmte, een trage gloed die niets met de temperatuur te maken heeft.
Ik ben er weer klaar voor.
Ik zeg dat vaak tegen mezelf. Niet als aanmoediging, maar als bevestiging. Zoals je een deur op slot draait en even voelt of hij echt dicht zit.
Excuses zijn overal. Ze zweven in gesprekken als rook. Mensen gooien ze op tafel en verwachten dat de wereld ze zal opruimen. Het spijt me, zeggen ze, en gaan verder. Alsof woorden gewichtloos zijn.
Maar woorden hebben gewicht. Alleen niet voor hen.
Voor slachtoffers wegen ze tonnen.
Voor mij zijn ze munten. Bewijsstukken. Labels.
Ik verzamel ze, sorteer ze, bewaar ze. En wanneer de stapel groot genoeg is, wanneer ik de patronen zie, wanneer de spijt te glad klinkt, te handig, te afgerond, dan beslis ik dat een excuus moet worden ingewisseld.
Niet voor vergeving.
Voor consequentie.
Mijn notitieboek ligt thuis in een keukenlade tussen een bot mes en oude handleidingen. Zwart kaft, zachte hoeken van het veel openen. Elke pagina draagt een naam en daaronder het excuus, letterlijk, woord voor woord. Ik schrijf netjes. Ik doe dat expres. Emotie maakt slordig. Slordig laat sporen na.
Ik heb ook een tweede boek. Dat is dunner. Een overzicht van de verhalen van de slachtoffers. Geen lyriek, geen drama. Alleen feiten. Data, plaatsen, mensen die het zagen en zwegen. Scholen, verenigingen, kantoorvloeren. Ik geef elk verhaal een markering, als een bibliothecaris die een boek terugzet in de juiste kast.
Het verschil is eenvoudig.
In het eerste boek staan de daders en hun excuses.
In het tweede boek staat de reden dat excuses niet genoeg zijn.
Als iemand mij ooit vraagt waarom, dan kan ik het uitleggen. Heel rustig. Ik kan het zelfs logisch laten klinken, omdat het dat ook is. Een excuus zonder herstel is geen spijt, het is een techniek. Een manier om door te lopen zonder de last te dragen.
En als je doorloopt zonder last, dan draag ik hem voor je.
Dat is mijn taak.
Mijn correctie.
De eerste moord die ik pleegde was bijna een oefening, al voelde het toen niet zo. Ik herinner me mijn hartslag, hard en hoog. Mijn handen die net iets te warm waren, alsof mijn bloed zich al schrap zette. Ik herinner me ook iets anders. Hoe snel mijn lichaam daarna kalm werd, toen het eenmaal gedaan was. Alsof ik eindelijk iets had teruggezet op zijn plaats.
Hij heette Bram. Hij had ooit door de gangen van een school gelopen alsof hij de eigenaar was van elke ademhaling. Hij koos zijn slachtoffers zoals anderen snoep kiezen. Niet omdat hij honger had, maar omdat het kon. Jaren later gaf hij een interview over pesten. Hij glimlachte, hij zei dat hij gegroeid was. Hij zei dat het hem speet.
Ik bekeek dat fragment tien keer. Niet om mezelf op te hitsen, maar om het te bestuderen. De timing van zijn glimlach. De manier waarop hij zijn blik liet zakken bij moeilijke woorden. Het was toneel. En ik herken toneel.
Ik ontmoette hem in een parkeergarage. Geen camera’s in de hoek waar ik hem opwachtte. Hij rook naar aftershave en succes. Hij keek me niet eens echt aan, zo iemand was hij. Mensen waren decor.
Toen ik de naam van een oud slachtoffer noemde, flitste er iets door zijn ogen. Geen schuld, eerder irritatie. Alsof ik hem stoorde.
Ik vroeg hem of hij wist wat hij had gedaan.
Hij zuchtte. Hij zei dat hij zijn excuses had aangeboden. Hij vroeg wat ik nog meer wilde.
Wat ik wilde was simpel.
Dat zijn excuus eindelijk zou kloppen met de impact.
Dat zijn woorden eindelijk een prijs zouden hebben.
Ik liet hem betalen.
Bij zijn lichaam legde ik mijn eerste brief, droog in een plastic mapje tegen de regen.
Ze hebben ooit sorry gezegd. Dat was niet genoeg.
Toen ik wegliep, voelde ik geen triomf. Alleen een stille ordening in mijn hoofd. Alsof een kamer die lang rommelig was, eindelijk was opgeruimd.
En toen begreep ik iets gevaarlijks.
Niet dat ik ermee weg kon komen.
Maar dat ik dit kon blijven doen.
Na Bram kwam het sneller. Niet omdat ik de controle verloor, maar omdat ik efficiënter werd. Ik leerde waar mensen hun leugens bewaren. In hun routines. Hun vaste routes. Hun veilige plekken. En ik leerde dat de stad vol zit met plekken waar niemand echt kijkt.
Tweede naam. Marlies. Ze was ooit mentor op een sportclub. Ze had een meisje apart genomen, zogenaamd om te helpen, maar ze drukte haar langzaam in een hoek waar niemand haar meer hoorde. Toen het meisje eindelijk durfde te spreken, zei Marlies dat het een misverstand was. Ze huilde bij de confrontatie, ze zei dat het haar speet, ze zei dat ze het nooit zo had bedoeld.
Ik sprak met het meisje. Nu een vrouw. Haar stem was stevig, maar haar handen trilden toen ze vertelde hoe ze jarenlang haar eigen herinneringen wantrouwde. Het lichaam vergeet niets, zei ze, zelfs als je hoofd het probeert.
Ik noteerde het. Feiten.
Toen ik Marlies ontmoette, was ze op weg naar huis. Ze liep met oortjes in, alsof muziek haar beschermde tegen de wereld. Ik volgde haar tot ze een zijstraat in ging waar het licht kapot was. Ik sprak haar naam uit, zacht, dichtbij.
Ze draaide zich om. Eerst verontwaardigd, toen onzeker. Ze herkende me niet, natuurlijk. Mensen onthouden vooral zichzelf.
Ik zag hoe haar adem versneld raakte. Haar ogen zochten de straat af. Toen ze vroeg wat ik wilde, zei ik alleen dit.
“Zeg het nog eens.”
Ze begreep me niet.
“Zeg dat het je spijt.”
Het klonk wreed, maar het was precies. Want spijt hoort niet te werken als een sleutel. Het hoort te schuren. Het hoort je keel dicht te knijpen.
Ze zei het. Snel. Mechanisch.
En in dat moment wist ik zeker dat haar excuus altijd een vlucht was geweest.
Ik deed wat ik moest doen. Ik hield het stil. Kort. Ik liet geen chaos achter, alleen afsluiting.
Mijn brief ging naast haar neer.
Ze hebben ooit sorry gezegd. Dat was niet genoeg.
Derde naam. Een man van middelbare leeftijd die jaren geleden dronken een meisje had aangerand op een bedrijfsfeest. Iedereen wist het. Niemand zei iets. Hij werd overgeplaatst, niet gestraft. Later vertelde hij dat hij “zich niets meer herinnerde”. Hij zei dat hij het vreselijk vond voor haar. Hij zei dat het hem speet.
Zijn excuus was geen spijt.
Het was rook.
Ik zorgde ervoor dat hij die rook niet meer kon uitblazen.
Vierde naam. Een verpleegkundige die een oudere patiënt had vernederd, gefilmd, gedeeld in een groepschat. Ze werd ontslagen, maar haar straf bleef klein. Ze maakte een video op sociale media over “cancel culture”. Ze huilde. Ze zei dat ze had geleerd. Ze zei dat het haar speet.
Ik bekeek haar video. Ik hoorde hoe ze zichzelf centraal zette, hoe ze zichzelf tot slachtoffer maakte van haar eigen daad.
Dat is het moment waarop excuses giftig worden. Wanneer ze niet repareren, maar omkeren.
Mijn logica is eenvoudig. Als iemand spijt gebruikt als wapen, dan neem ik het wapen af.
Ik liet haar kiezen. In de laatste minuten gaf ik haar de kans om het anders te doen. Niet om te smeken, maar om eindelijk verantwoordelijkheid te nemen zonder zichzelf te redden.
Ze kon het niet.
Toen wist ik dat mijn lijst klopte.
De stad merkte het. Natuurlijk. Lichamen worden gevonden, ook al doe je alles goed. Een toevallige vroege wandelaar. Een hond die te enthousiast snuffelt. Een schoonmaker met een sleutelbos.
De politie trok lijnen. De media verzonnen motieven. Wraak. Een sekte. Een jaloerse ex. Ze houden van simpele verhalen. Simpele verhalen zijn comfortabel.
Mijn verhaal is dat niet.