Ik ben geen razende wreker. Ik ben een verzamelaar. Ik werk met criteria. Met drempels. Met bewijs. Ik kijk naar patronen in gedrag, niet naar geruchten. Ik kies mensen die hun excuus als aflaat hebben gebruikt en daarna zijn doorgegaan alsof er niets was gebeurd.
Mijn systeem heeft drie regels.
Eén. Het excuus moet publiek of herhaald zijn, uitgesproken om druk weg te nemen, niet om schade te herstellen.
Twee. Er moet een slachtoffer zijn dat nog steeds de consequenties draagt.
Drie. Er moet geen echte consequentie zijn geweest, alleen tijd die eroverheen is gelegd als een laken.
Wanneer alle drie kloppen, wordt het een dossier. Wanneer het dossier compleet is, wordt het een naam. Wanneer het een naam is, wordt het een bezoek.
Dat klinkt koud. Maar koud is betrouwbaar.
Warmte maakt fouten.
Toen kwam zij.
Inspecteur Jolien Peeters.
Ik hoorde haar naam voor het eerst in een gesprek tussen agenten bij een afzetting. Ik stond aan de rand van de menigte met een paraplu, gewoon een gezicht tussen andere gezichten. Ik zag hoe ze naar het lichaam keek, niet met walging, maar met aandacht. Alsof ze de vorm van de daad probeerde te voelen in de lucht.
Ze nam mijn brief in een plastic zakje en las hem alsof het een persoonlijke belediging was.
Ik vond haar interessant.
Niet omdat ze me dichtbij kwam. Maar omdat ik iets in haar zag dat ik herkende. Een spanning tussen wat de regels toestaan en wat zij vindt dat nodig is.
Ik begon haar te volgen, niet elke dag, maar genoeg om haar ritme te leren. Koffie om precies dezelfde tijd. Dezelfde route naar het bureau. Dezelfde korte pauze achter het gebouw om frisse lucht te happen die nooit echt fris is.
En toen vond ik wat ik nodig had.
Een oude zaak. Een verhoor. Een man die brak onder druk. Een onschuldige. Zijn leven ingeklapt door overtuiging die als rechtvaardigheid was verkocht. Later zei Jolien dat het haar speet. Ze zei dat ze handelde voor het grotere goed. De man pleegde zelfmoord voordat zijn naam volledig was gezuiverd.
Zij bleef.
Dat is wat macht doet. Macht absorbeert excuses en zet ze om in stilte.
Ik schreef haar naam in mijn notitieboek.
Jolien Peeters.
Daaronder schreef ik haar excuus.
Het spijt me.
En voor het eerst voelde ik iets dat op twijfel leek. Niet over mijn missie, maar over de spiegel die zij was. Want als ik haar veroordeel, veroordeel ik ook de versie van mezelf die gelooft dat een doel een middel kan heiligen.
Die gedachte knarst in mijn hoofd als zand tussen tanden.
Maar ik ben niet bang voor knarsen. Knarsen betekent dat iets schuurt naar een nieuwe vorm.
Ik versnelde.
Niet omdat ik moest, maar omdat ik wist dat de cirkel zich sloot. Jolien werd beter. Haar team werd scherper. De vragen werden slimmer. Ze begonnen verbanden te zien in de achtergronden van de slachtoffers. Niet alleen wie ze waren, maar wat ze hadden gedaan.
Ze kwamen dichter bij mijn criteria.
En dat kon niet. Mijn criteria zijn van mij. Als zij ze doorziet, neemt ze me mijn enige voordeel af.
Dus kwam er een nieuwe reeks, sneller achter elkaar, als een ritme dat je niet meer kunt negeren.
Vijfde naam. Een voormalige priester die misbruik had verborgen door vergeving te prediken. Hij had altijd gezegd dat hij bad voor iedereen. Hij had altijd gezegd dat het hem speet wat anderen hadden meegemaakt. Zijn spijt was rookgordijn.
Zesde naam. Een leidinggevende die jarenlang vrouwen klein had gemaakt en daarna een training volgde en zich liet fotograferen met een certificaat. Hij postte het online met een tekst over “groei”. Hij schreef erbij dat hij fouten had gemaakt, dat het hem speet.
Zevende naam. Een vrouw die haar zus jarenlang had gemanipuleerd, haar geld had afgenomen, haar geïsoleerd. Toen het uitkwam zei ze dat ze “gewoon bang was om alleen te zijn”. Ze zei dat het haar speet.
Steeds weer hetzelfde.
Een excuus als sleutel tot een deur die eigenlijk dicht moet blijven.
Ik gaf hen geen deur meer. Alleen een einde.
En steeds liet ik mijn brief achter, altijd dezelfde zin. Omdat het niet om creativiteit gaat. Het gaat om principe. Herhaling maakt het onontkoombaar.
Ze hebben ooit sorry gezegd. Dat was niet genoeg.
Na de zevende voelde ik het in mijn lichaam. Niet uitputting, maar een soort scherpte die bijna euforisch was. Mijn handen waren stabiel. Mijn gedachten helder. Alsof ik eindelijk in mijn juiste tempo liep.
Dat is het gevaarlijkste moment. Wanneer alles klopt en je begint te geloven dat je onfeilbaar bent.
Ik ben niet onfeilbaar.
Daarom houd ik me vast aan mijn regels.
Jolien reageerde. Haar gezicht kwam vaker op tv. Haar woorden werden harder. Ze noemde het geen reeks losse incidenten meer, maar een patroon. Ze vroeg het publiek om tips. Ze vroeg slachtoffers om zich te melden.
Ik lachte niet. Ik spot niet. Ik registreer.
Want als meer slachtoffers zich melden, groeit mijn tweede boek. En als mijn tweede boek groeit, groeit mijn werk. Dat is de paradox. Zij probeert mij te stoppen door meer brandstof te geven.
Toch weet ik dat ze mij niet zal vangen door de slachtoffers te volgen. Ze zal mij vangen door mijn logica te begrijpen.
Dus moet ik mijn logica beschermen.
En dat betekent dat ik haar moet testen.
Ik wil weten of zij haar eigen excuus gelooft. Of ze haar schuld werkelijk draagt, of dat ze hem heeft ingepakt in jargon en carrière.
Ik schrijf een brief aan haar, thuis aan mijn keukentafel. De regen tikt tegen het raam. Mijn thee wordt koud. Ik schrijf langzaam, zonder trilling.
Je zei dat het je speet. Dat was niet genoeg.
Ik stop de brief in een envelop, geen afzender. Ik gebruik handschoenen, niet uit paniek, maar uit discipline. Discipline is respect voor het werk.
Die avond, wanneer zij laat alleen het bureau verlaat, schuif ik de envelop onder haar ruitenwisser. Ik kijk vanuit een donkere hoek hoe ze hem vindt.
Ze leest hem in het licht van een straatlamp. Haar gezicht verstijft, maar niet van angst. Eerder van woede. Of herkenning.
Ze kijkt rond.
Ik blijf stil.
Ik wil dat ze weet dat ik dichtbij ben. Niet om haar te pesten, maar om het gesprek te openen dat niemand ooit met haar durfde te voeren.
De volgende dagen verandert alles. Sara slaapt minder. Haar ogen worden donkerder. Ze doet zelf veldwerk. Ze gaat naar plekken waar ik ben geweest. Ze praat met mensen die ik heb gesproken. Ze is niet meer alleen een inspecteur. Ze wordt een deelnemer.
En ik voel het koord tussen ons strakker trekken.
Soms vraag ik me af of ik haar echt wil doden.
Want in een wereld vol lege excuses is zij tenminste iemand die nog iets voelt.
Maar voelen is niet hetzelfde als verantwoordelijkheid nemen.
En verantwoordelijkheid is de enige valuta die ik accepteer.
Ik begin mezelf vragen te stellen, niet om te stoppen, maar om scherper te worden.
Wat is genoeg?
Wanneer is een excuus genoeg?
Het antwoord is nooit hetzelfde. Daarom heb ik regels. Daarom verzamel ik. Daarom schrijf ik. Ik moet mezelf kunnen bewijzen dat ik niet zomaar aan het doden ben. Dat ik niet dronken ben van macht.
Ik ben geen chaos. Ik ben reactie.
Ik ben het sluitstuk dat ontbreekt.
En als ik ooit merk dat ik begin te genieten om de verkeerde reden, als ik ooit merk dat ik niet meer luister naar het verhaal van het slachtoffer maar alleen naar het geluid van mijn eigen hartslag, dan moet ik stoppen.
Of dan word ik zelf een naam.
Met een excuus.
Vanavond regent het opnieuw. De stad is een spiegelpaleis van licht en water. Ik loop door straten waar niemand mij aankijkt. Mensen kijken naar hun schermen, naar hun voeten, naar de weg die hen naar huis brengt. Niemand kijkt naar de schaduw die naast hen loopt.
Mijn notitieboek is zwaarder geworden. Acht namen. Negen bijna klaar. Tien die ik al zie aankomen. De frequentie stijgt omdat de wereld vol zit met mensen die denken dat spijt een spons is die alles opneemt.
Ik voel adrenaline in mijn armen. Mijn vingers tintelen. Mijn adem is rustig, getraind.
En ergens, in een kantoor waar het licht nog brandt, buigt Jolien Peeters zich over mijn brieven en probeert mijn geest te vinden in de inkt.
Ze zal mij misschien vangen.
Maar zelfs als ze dat doet, blijft mijn vraag hangen als een natte schaduw op een muur.
Wanneer iemand zegt het spijt me, wanneer die woorden klinken als een sleutel, als een uitweg, als een manier om door te lopen zonder de last te dragen, wie beslist dan of het genoeg is?
Ik.
Dat is mijn misdaad.
Dat is mijn logica.
En zolang de stad excuses blijft uitspuwen alsof het confetti is, zal ik ze blijven verzamelen, één voor één, tot de stapel eindelijk zwaar genoeg is om iemand wakker te maken.