Er zijn periodes in een jaar die je niet “gewoon” passeert. Je loopt er niet langs alsof het een etalage is waar je even naar kijkt en dan weer verder stapt. De feestdagen zijn zo’n periode.
Ze komen niet ineens. Ze sluipen binnen.
Eerst is het een folder in de brievenbus met kerstbomen op de voorkant. Dan de eerste lichtjes in een straat waar je al duizend keer door gereden bent. Dan de radio die plots beslist dat jij dringend aan belletjes en sneeuw moet denken, ook al is er geen sneeuw en voel je je eerder… leeg. En voor je het weet sta je met je handen in de winkelkar, alsof je boodschappen doet voor iets wat vroeger vanzelfsprekend was.
En dit jaar is niets vanzelfsprekend.
Dit jaar is er een stoel die er altijd zal zijn, ook als niemand hem letterlijk neerzet. Een plek in de kamer die “jou” blijft roepen, zonder geluid. Een stilte die op vreemde momenten begint te praten.
Ik verloor mijn mama. En met haar verloor ik iets dat ik niet volledig kan uitleggen aan mensen die het nog niet hebben meegemaakt. Niet omdat ze het niet zouden willen begrijpen, maar omdat het verlies zich niet gedraagt zoals gewone pijn.
Het is geen wonde die dichtgaat.
Het is een nieuwe vorm van bestaan.
De kalender doet alsof alles normaal is
De wereld heeft een systeem. Maanden, weken, dagen. Alles schuift door zoals het altijd doet. December komt, of jij nu mee wil of niet. De agenda heeft geen “pauzeer-knop” voor rouw.
En toch voelt het alsof de tijd in tweeën is geknipt.
Er is een “voor”, waarin haar aanwezigheid overal zat zonder dat ik het merkte. In routine. In kleine gewoontes. In dingen die ik pas zie nu ze weg zijn.
En er is een “na”, waarin ik plots merk hoeveel van mijn leven op haar afgestemd was. Zelfs als ik het niet doorhad. Zelfs als ik dacht dat ik het alleen deed.
Nu sta ik in december, en de wereld roept “gezelligheid” terwijl ik vooral voel hoe hard het contrast kan zijn.
Want feestdagen zijn gebouwd op herhaling.
Op “zoals altijd”.
Op “dat doen we elk jaar zo”.
Maar ik leef nu in een jaar dat nergens op lijkt.
Lichtjes maken schaduwen zichtbaarder
Ik dacht vroeger dat het net de donkere maanden waren die moeilijk zouden zijn. De vroege avonden. De koude. Dat grijze, natte gevoel. Maar het is niet alleen het donker.
Het is het licht.
Kerstlichtjes zijn bedoeld om warmte te geven, maar voor mij zijn ze ook een vergrootglas. Ze tonen extra scherp wat ontbreekt. Alsof elke lampje zegt: hier hoorde nog iemand bij te staan.
Ik merk het in de kleinste dingen.
In hoe je een huis klaarmaakt.
In hoe je onbewust zoekt naar een mening die niet meer komt.
In hoe je even denkt: “ik moet dat straks nog vertellen” en dan botst op het besef dat vertellen geen bestemming meer heeft.
En op feestdagen is dat besef niet één keer per dag.
Het is om de haverklap.
Rouw wordt luid in een stille kamer
Er zijn mensen die denken dat rouw vooral gebeurt op grote momenten: een verjaardag, een sterfdag, een kerstfeest. Maar eerlijk?
Rouw is geniepig.
Het gebeurt wanneer je een bepaald gerecht ruikt.
Wanneer je iets ziet in de winkel waarvan je weet dat zij dat zou gekozen hebben.
Wanneer je ergens een stem hoort die op haar lijkt.
Wanneer je plots lacht om iets en je brein onmiddellijk daarna zegt: mag dat wel?
Alsof verdriet regels heeft.
Alsof je een contract tekent met je eigen hart.
Ik heb geleerd dat rouw niet netjes is. Ze is niet beleefd. Ze klopt niet aan. Ze gaat zitten waar ze wil. En rond de feestdagen lijkt ze zelfs groter te worden, alsof ze ruimte nodig heeft die ik haar niet gegeven heb.
Misschien omdat iedereen rond mij druk bezig is met “mooi maken”.
Met tafels dekken.
Met cadeaus kopen.
Met plannen.
En ik ben ook aan het plannen, ja.
Maar het zijn andere plannen.
Ik plan hoe ik door een avond geraak zonder dat ik breek.
Ik plan waar ik ga zitten.
Ik plan wanneer ik even naar buiten kan om adem te halen.
Ik plan hoe ik “het gaat” ga beantwoorden op een manier die voor iedereen aanvaardbaar is.
De pijn zit niet alleen in wat er niet meer is, maar ook in wat er nooit meer komt
Wat me het hardst raakt in deze periode, is niet alleen dat ze er niet bij zal zijn.
Het is dat dit de nieuwe traditie wordt.
Dat er een eerste kerst is zonder haar.
En dan een tweede.
En dan, als de wereld blijft doordraaien, een tiende.
En ik haat dat idee.
Ik haat hoe normaal de toekomst eruitziet voor anderen, terwijl ik in mijn hoofd telkens denk: maar zij dan?
Sommige dagen voelt het verlies als een steen die ik draag.
Andere dagen voelt het alsof ik zelf die steen ben geworden.
Zwaar, stil, aanwezig.
En tegelijk zijn er momenten waarop ik haar bijna voel, op een manier die ik niet logisch kan uitleggen. Alsof ze heel even door iets kleins heen komt.
Niet als een wonder.
Eerder als een herinnering die niet wil sterven.
“Maar je moet het ook gezellig maken”
Er zijn zinnen die mensen goed bedoelen, maar die toch snijden.
“Je moet het ook gezellig maken.”
“Ze zou niet willen dat je verdrietig bent.”
“Maak er toch iets moois van.”
Ik begrijp de reflex. Mensen willen je uit de pijn trekken omdat ze zelf niet weten hoe ze erbij moeten zitten. Verdriet maakt anderen ongemakkelijk.
Maar rouw laat zich niet wegdecoreren.
Je kan een kerstboom zetten en toch huilen in de keuken.
Je kan cadeautjes inpakken met een keel die dicht zit.
Je kan lachen aan tafel en tegelijk een gat in je borst voelen.
Ik kan “iets moois maken” en toch rouwen.
Ik kan doorgaan en toch missen.
Ik kan functioneren en toch kapot zijn op sommige momenten.
Dat is misschien wel het meest verwarrende aan rouw: het is niet óf-óf.
Het is én-én.
Ik leer een andere manier van feestdagen
Ik ga eerlijk zijn: ik weet niet hoe dit jaar eruit moet zien. Ik ben niet de juiste persoon om “tips” te geven over hoe je feestdagen overleeft na verlies, alsof het een handleiding is.
Wat ik wel weet, is dit:
Ik mag het anders doen.
Ik mag grenzen zetten, ook al begrijpen mensen dat niet meteen.
Ik mag zeggen dat iets te veel is.
Ik mag even verdwijnen naar een andere kamer.
Ik mag tradities overslaan zonder schuldgevoel.
Ik mag nieuwe, kleine rituelen maken die enkel voor mij zijn.
Misschien is dat het enige wat ik kan:
een manier vinden om haar toch mee te dragen, zonder mezelf te verliezen.
Soms is dat een kaars die ik aansteek.
Soms is dat een lied dat ik even niet kan aanhoren, en dus oversla.
Soms is dat een zin die ik in mijn hoofd tegen haar zeg, heel simpel, heel klein.
“Ik mis u.”
Meer hoeft het niet te zijn.
Als jij dit leest en je herkent het
Misschien ben jij ook iemand die door december wandelt met een glimlach die te veel energie kost.
Misschien zit jij ook met een stoel in je hoofd.
Misschien voel jij je schuldig omdat je niet “in de feeststemming” geraakt.
Of omdat je wél lacht en daarna denkt dat je iets verraadt.
Laat me je dit zeggen, zonder drama, gewoon zoals het is:
Je bent niet kapot omdat je mist.
Je bent mens.
En missen rond de feestdagen betekent niet dat je achteruit gaat.
Het betekent dat je liefde nog ergens woont, zelfs als de persoon er niet meer is.
Ik weet nog niet hoe ik deze periode ga doorkomen.
Maar ik weet wel dat ik haar niet “achterlaat” door verder te leven.
Ik draag haar mee.
Ook tussen de lichtjes.
Ook in de stilte.
Ook op dagen waarop het harder binnenkomt dan ik had verwacht.
En als december één ding doet, dan is het dit: het bewijst dat liefde niet verdwijnt.
Ze verandert alleen van plaats.