Ik heb dit jaar niet “afgesloten”. Ik heb het gewoon uitgezet.
Het is de laatste dag van 2025 en iedereen doet alsof er een knop bestaat waarop je kan duwen, en dan floept het jaar uit, foetsie, gedaan, weg, en sta je daar morgen fris als een reclame voor tandpasta die je niet kunt betalen.
Ik geloof daar niet in.
Als er al een knop was, had ik hem in februari al losgewrikt met een schroevendraaier en een soort stille paniek, en toch bleef dat jaar doordraaien als een wasmachine die op “extra lang” stond omdat iemand weer dacht dat dat hygiënischer is.
2025 was geen jaar, het was een sfeer.
Een constante achtergrondruis.
Het soort ruis dat je pas merkt wanneer het even wegvalt, en je denkt: amai, dus zo klinkt rust.
Om dan twee seconden later weer een gedachte te hebben die binnenkomt alsof ze een eigen sleutel heeft van je hoofd.
Ik heb heel veel gedacht.
Te veel.
En dat is niet dramatisch, dat is gewoon lastig, zoals een bromvlieg die elke keer net naast je oor landt, zodat je het niet kunt negeren, maar je kunt het ook niet doodslaan zonder jezelf belachelijk te maken.
Ik heb dit jaar dingen verloren.
Niet op een mooie, poëtische manier.
Niet met violen en een zonsondergang.
Gewoon op de manier waarop het meestal gaat: door te merken dat iets er eerst was en dan niet meer, en dat niemand een handleiding meegeeft voor dat moment.
Mensen zeggen dan: “Dat is het leven.”
Ja.
Merci.
Dat is ongeveer even behulpzaam als zeggen “water is nat” terwijl je al tot aan je nek in de miserie staat.
En tegelijk, het irritante is: ik ben niet kapot.
Ik ben moe, ja.
Ik ben prikkelbaar op momenten dat ik eigenlijk gewoon honger heb.
Ik heb soms het geduld van een leeg batterijtje.
Maar ik ben niet kapot.
Ik ben nog hier.
Dat is al iets.
Dat is eigenlijk veel.
En ik kan dat zeggen zonder er meteen een inspirerende quote van te maken met een zonnebloem in de achtergrond.
Wat ik dit jaar ook geleerd heb, en dit is het deel waar mensen meestal ongemakkelijk van worden, is dat sommige mensen heel graag “druk” zijn wanneer jij iets nodig hebt.
Ze zijn druk als je een antwoord verwacht.
Ze zijn druk als je een beetje steun zou kunnen gebruiken.
Ze zijn nooit te druk om wél iets te vragen of om een mening te hebben, maar plots worden ze een volle agenda op twee benen zodra jij eens niet alles alleen wilt dragen.
Dat is geen haat.
Dat is gewoon informatie.
En informatie is handig.
Het is het verschil tussen nog eens dezelfde deur proberen openen en eindelijk beseffen dat er nooit een klink aan heeft gezeten.
En dan komt 2026 eraan, met zijn schone cijfers en zijn frisse beloftes, en iedereen maakt plannen alsof plannen het leven tegenhouden.
Ik ga daar niet aan meedoen.
Ik ga geen lijst schrijven met vijftien doelen en een onderlijnde versie van mezelf die op 1 januari ineens een ochtendmens wordt die salade eet en geen last meer heeft van herinneringen.
Ik ken mezelf.
Ik ben realistisch.
En ik ben ook niet van plan om mezelf te verbeteren alsof ik een fout product ben.
Wat ik wel wil in 2026 is eenvoud.
Geen “perfect”.
Gewoon eenvoud.
Minder dingen uitleggen aan mensen die eigenlijk niet luisteren.
Minder mijn grenzen verpakken in beleefdheid zodat anderen niet moeten voelen dat ze te ver gegaan zijn.
Meer rust die niet moet verantwoord worden.
Meer lachen, niet omdat ik alles grappig vind, maar omdat ik nog kan lachen en dat wil ik houden.
Dus ja, 2025.
Ik zet u uit.
Niet met vuurwerk, eerder met een nuchtere klik.
En als je morgen toch nog lawaai maakt in mijn hoofd, dan ben je te laat.
Ik heb al door hoe je werkt.
2026 mag binnenkomen.
Maar het mag niet meer op mijn kosten wonen.