Mensen gooien die twee vaak op één hoop, alsof ze hetzelfde betekenen. Alsof “alleen” automatisch verdrietig is, en alsof “gezelschap” automatisch alles oplost.
Maar alleen zijn en eenzaam zijn zijn geen tweeling. Ze lijken soms op elkaar van ver, maar van dichtbij hebben ze een ander gezicht.
Alleen zijn is: er is niemand naast je.
Eenzaam zijn is: er is niemand bij je.
En dat laatste kan zelfs gebeuren in een kamer vol mensen.
Alleen zijn kan rust zijn
Alleen zijn kan voelen als een jas die eindelijk uit mag. Geen rol, geen antwoorden, geen glimlach die je opzet omdat het sociaal verwacht wordt. Alleen zijn kan zacht zijn, maar niet dat woord, je snapt me. Alleen zijn kan adem geven.
Het is het moment waarop je lichaam niet meer op scherp hoeft te staan.
Waar je niet moet opletten of je “te stil” bent, of “te veel”, of “weer zo’n bui”.
Alleen zijn kan betekenen: eindelijk hoor ik mezelf weer.
En soms is dat exact wat je nodig hebt.
Eenzaam zijn is een deur die niet opengaat
Eenzaam zijn is anders. Eenzaam zijn is proberen praten en voelen dat je woorden nergens landen. Het is een vraag in jou die nergens antwoord vindt. Het is thuiskomen en merken dat het niet uitmaakt of je zacht of luid binnenkomt: er wacht niets dat echt op jou gericht is.
Eenzaam zijn is niet per se gebrek aan mensen.
Het is gebrek aan verbinding.
Je kan lachen met iemand en toch eenzaam zijn.
Je kan meepraten en toch het gevoel hebben dat je in een andere taal denkt.
En het pijnlijkste aan eenzaamheid is dat het je soms doet twijfelen aan jezelf:
Ben ik te moeilijk? Te gevoelig? Te ingewikkeld?
Terwijl het vaak gewoon betekent dat je op de verkeerde plek probeert te ademen.
Gezelschap is geen medicijn
Er zijn mensen die “drukte” gebruiken als pleister. Agenda vol. Altijd ergens. Altijd iemand. Omdat stilte te veel zegt.
Maar gezelschap lost eenzaamheid niet automatisch op. Soms maakt het het net erger, omdat je naast anderen zit en je je plots nog duidelijker bewust bent van hoe alleen je je voelt.
Dan krijg je die rare mengeling:
je bent omringd, maar niet gezien.
En dat is vermoeiend. Dat is het soort vermoeidheid dat niet weggaat door een nacht goed te slapen.
De stille versie van eenzaamheid
Eenzaamheid is niet altijd dramatisch. Soms is het heel stil.
Het zit in kleine dingen:
-
iets meemaken en niemand hebben aan wie je het écht wil vertellen
-
je succes kleiner maken omdat je het niet wil vieren alleen
-
een slechte dag hebben en beseffen dat je je “niet wil lastig maken”
-
mensen hebben, maar niemand die je zou bellen om 23:48 zonder je te excuseren
Dat zijn geen grote tragedies. Dat zijn kleine druppels. En druppels kunnen een steen veranderen.
Alleen zijn kiezen versus eenzaamheid ondergaan
Het verschil zit ook in keuze.
Alleen zijn kan een beslissing zijn.
Eenzaam zijn voelt alsof het jou overkomt.
Alleen zijn: “Ik trek me even terug.”
Eenzaam zijn: “Ik kan nergens terecht.”
En soms is het gemeen hoe snel dat kan wisselen. Je kan op dezelfde avond beginnen met rust in je eigen ruimte, en eindigen met dat lege, holle gevoel dat je niet meteen kan uitleggen.
Wat helpt dan wel
Niet: “ga meer onder de mensen komen.”
Dat is te simpel, en soms ook gewoon fout.
Wat wél helpt is op zoek gaan naar één echte verbinding in plaats van tien oppervlakkige. Eén persoon waarbij je niet hoeft te presteren. Eén plek waar je niet voortdurend moet uitleggen wie je bent.
En ook: eerlijk durven zijn tegenover jezelf.
Misschien mis je niet “mensen”.
Misschien mis je veiligheid.
Misschien mis je iemand die je niet alleen hoort, maar ook begrijpt.
Dat is geen luxe. Dat is basis.
Tot slot
Alleen zijn kan een kamer zijn die je zelf gekozen hebt.
Eenzaam zijn is een kamer zonder deurklink.
Ik wil vaker alleen zijn wanneer het me goed doet.
En ik wil minder lang blijven op plekken waar ik mij eenzaam voel, zelfs als er volk genoeg is.
Want aanwezigheid zonder verbinding is lawaai.
En ik heb geleerd: ik verdien beter dan lawaai dat doet alsof het gezelschap is.