Ik ben geboren na Stijntje, mijn grote broer.
Hij werd negen maanden oud en werd toen niet meer wakker. Wiegedood. Een woord dat te klein is voor wat het doet. Het klinkt bijna technisch, bijna netjes, alsof het in een dossier past. Maar in een gezin wordt het geen woord. Het wordt een laag. Een ondergrond. Iets dat in de muren gaat zitten.
Ik heb hem niet gekend zoals mensen elkaar kennen. Ik heb geen herinnering waarin hij mijn naam zegt. Geen scène waarin hij mijn hand vastneemt. Geen moment waarop hij me uitlacht omdat ik te serieus ben, en me dan toch beschermt wanneer het nodig is.
En toch is hij voor mij nooit alleen “een baby op foto’s” geweest.
Voor mij is hij altijd mijn grote broer geweest.
Dat klinkt simpel, maar daar zit alles in. Want een grote broer is geen foto. Een grote broer is een rol. Een plaats. Een richting in je leven. Iemand die ouder is, die voor jou bestaat in een tijd waar jij nog niet eens begon. En juist daarom voelt het soms zo absurd dat ik dat moet uitleggen. Dat ik het moet verdedigen. Dat ik in zinnen moet bewijzen dat mijn verdriet wel degelijk echt is.
Maar het is echt. Het is al heel mijn leven echt.
Het huis waar ik binnenkwam
Ik kwam niet binnen in een leeg verhaal. Ik kwam binnen in een gezin waar al iets gebeurd was dat groter was dan woorden. Ik wist dat natuurlijk niet als baby. Ik voelde het niet als een feit. Ik voelde het als sfeer.
Sommige gezinnen dragen verdriet luid. Andere gezinnen dragen het in stilte. Bij ons voelde het als een aanwezigheid die nergens benoemd werd, maar die er wel was. Je kon ze niet aanwijzen, maar je kon ze ook niet wegdenken. Soms zat ze in de manier waarop er naar een foto gekeken werd. Soms zat ze in een dag die plots anders aanvoelde, zonder dat iemand zei waarom.
Er zijn van die momenten waarop je als kind leert: dit onderwerp is gevaarlijk. Niet omdat iemand “gevaarlijk” zegt. Maar omdat je ziet dat er iets breekt in iemand zijn gezicht wanneer je te dicht in de buurt komt van de waarheid. Dus je leert om rond die plek te lopen. Je leert om te voelen waar de rand ligt.
En ondertussen groeit er iets in jou, heel traag en heel hardnekkig: het besef dat er vóór jou iemand was. Dat jij niet het begin bent. Dat jij “na” bent.
De vraag die mensen stellen alsof het logisch is
Soms zeggen mensen het letterlijk. Soms zeggen ze het met hun ogen.
“Maar je hebt hem toch nooit gekend?”
Het is een zin die vaak bedoeld is als geruststelling, maar die bij mij voelt als een deur die dichtklapt. Omdat die zin uitgaat van één idee: dat liefde en rouw alleen geldig zijn als je herinneringen kan voorleggen.
Alsof je verdriet moet kunnen bewijzen met anekdotes.
Maar mijn gemis is niet kleiner omdat ik geen herinneringen heb. Soms is het juist groter, precies omdat ik geen herinneringen heb. Ik heb geen “weet je nog toen”. Ik heb geen beginpunt. Mijn gemis is niet gestart op een bepaalde dag in mijn eigen geheugen. Het is er altijd geweest, op de achtergrond van mijn leven, als iets dat me voorafging.
En dan zeggen mensen soms dingen die ik niet kwaad wil opnemen, maar die toch blijven steken.
“Je kent hem enkel van foto’s.”
“Je idealiseert dat misschien.”
“Je kan toch niet missen wat je niet hebt gehad?”
Maar dat is juist het probleem.
Ik mis niet alleen wat ik heb gehad.
Ik mis ook wat ik had kunnen hebben.
Mijn band met Stijntje
Ik kan niet uitleggen wanneer het precies begonnen is, omdat het voor mijn gevoel nooit begonnen is. Het was er gewoon. Het is niet alsof ik op een dag besliste: nu ga ik een band voelen met mijn grote broer. Het gebeurde eerder andersom. Ik ontdekte dat hij er al was in mij.
Soms heel concreet. In een foto die ik te vaak gezien heb om nog “een foto” te zijn. In details die ik herken alsof ik erbij was, terwijl ik dat niet was. In het feit dat zijn gezicht voor anderen een herinnering is, maar voor mij een soort vaste aanwezigheid is geworden. Iets dat bij mijn leven hoort, zoals sommige mensen een litteken hebben dat ze niet meer zien, maar wel altijd meedragen.
Mijn band met hem zit niet in herinneringen, maar in verbeelding en gemis die samen een soort verbinding zijn geworden. Het is alsof mijn hoofd en mijn hart jarenlang hebben geprobeerd om hem een plek te geven die klopt. Niet om hem terug te brengen. Niet om te doen alsof het niet gebeurd is. Maar omdat de leegte anders te groot blijft.
En dat klinkt misschien zweverig voor iemand die het niet kent, maar voor mij is het bijna fysiek. Soms kan ik hem voelen als een druk in mijn borst. Soms als een plotse zwaarte op een normale dag. Soms als een gedachte die zich niet laat wegduwen, omdat ze niet van die dag is. Ze is van mijn hele leven.
Het gemis dat verder gaat dan de baby op de foto
Ik mis Stijntje niet alleen als het kindje dat negen maanden oud werd.
Ik mis ook wie hij nu zou zijn.
Dat is iets waar mensen ook vaak struikelen. Want hoe kan je iemand missen in een versie die nooit bestaan heeft?
Maar in mijn hoofd bestaat die versie wel. Niet als fantasie om mezelf te troosten, maar als een natuurlijke vraag die al jaren terugkomt.
Hoe zou hij geweest zijn?
Waar zou hij goed in geweest zijn?
Zou hij luid zijn of stil?
Zou hij humor hebben die mij irriteert?
Zou hij op familiefeesten de sfeer breken of net dragen?
Zou hij streng zijn? Zorgzaam? Koppig?
Zou hij op mij lijken, of helemaal niet?
Ik mis de broer die nu 33 zou zijn.
Ik mis de broer die met zijn eigen leven zou binnenstappen in het mijne.
Ik mis de vanzelfsprekendheid van hem.
Ik mis dingen die nooit begonnen zijn, en daarom ook nooit konden eindigen. Dat is het soort gemis dat geen vorm krijgt. Geen plek. Het zweeft. Het haakt zich vast aan momenten waarop ik denk: nu had hij er moeten zijn.
En dat maakt rouw soms zo vreemd. Want het is niet alleen rouw om verlies. Het is ook rouw om mogelijkheden. Om een levenslijn die stopte voordat ze iets kon worden, maar die in mij wel altijd is blijven doorlopen als vraag.
Geboren na hem
Dat “na” is een apart soort pijn.
Ik ben niet geboren met het gevoel dat ik iets moest vervangen. Niemand heeft dat gezegd. Niemand heeft mij een opdracht gegeven. Maar toch kan een kind dat voelen, zonder woorden. Je voelt dat er iets ontbreekt dat eigenlijk voor jou had moeten zitten. Je voelt dat er een plaats is die leeg blijft. En je voelt dat jouw komst voor sommige mensen ook een botsing is met het feit dat hij er niet meer is.
Er zit iets oneerlijks in: hij ging, en ik kwam.
Dat is geen schuldvraag. Het is gewoon de werkelijkheid.
En zelfs na 31 jaar is dat nog altijd lastig om te dragen. Omdat het niet over tijd gaat. Het gaat over structuur. Over hoe mijn verhaal begon. Over hoe mijn plaats in dit gezin vanaf dag één verbonden was met iets dat vooraf al kapot was.
Ik kan leven. Ik kan lachen. Ik kan werken. Ik kan zorgen. Ik kan doorgaan.
Maar dat verandert niets aan het feit dat ik hem nog steeds mis.
Mijn broers
Er is nog een laag die ik niet altijd durf uit te spreken, omdat mensen snel denken dat het een aanval is. Alsof het iets zou zeggen over wie zij zijn als personen. Dat is het niet. Het is een beschrijving van wat ik mis.
Ik heb met mijn broers nooit echt die broer-zus band gehad waar mensen zo vanzelfsprekend over praten. Niet dat gevoel van: je hoort bij mij. Niet dat warme vanzelfsprekende van een grote broer die jou kent zonder uitleg, of een kleine broer die jou opzoekt omdat jij “de veilige” bent. Ik heb die vanzelfsprekendheid gemist.
En dat gemis heeft iets gedaan met mij.
Want waar er een leegte zit, probeert een mens ze toch ergens te plaatsen. Niet bewust. Niet met een plan. Maar langzaam, doorheen de jaren.
Wat ik miste in mijn levende broers, heb ik doorheen de jaren opgebouwd met mijn overleden broer.
Dat klinkt vreemd, maar zo voelt het. De broer-zus band die ik nooit echt kreeg in het echte leven, is in mijn hoofd en mijn hart gegroeid rond Stijntje. Niet omdat ik mijn levende broers wilde vervangen. Niet omdat ik hun plaats wilde afnemen. Maar omdat ik ergens een broer nodig had op de manier waarop ik hem nooit had gehad.
En Stijntje werd die plaats.
Hij zit niet in ruzies. Niet in afstand. Niet in teleurstelling. Niet in stiltes die verkeerd vallen. Hij zit in een zuivere versie van “grote broer”, zoals die band had kunnen zijn. Zoals ik hem nodig had. Zoals ik hem mis.
Dat maakt de band met hem soms sterker. Intenser. Dwingender.
Niet omdat hij “beter” is, maar omdat hij de vorm draagt van wat ik nooit kreeg.
En dat is tegelijk troostend en pijnlijk.
Troostend, omdat het me ergens toch een gevoel van verbondenheid geeft.
Pijnlijk, omdat het mij ook telkens opnieuw herinnert aan wat er ontbreekt.
Waarom dit verdriet van mij blijft
Ik ben het moe om te moeten uitleggen waarom ik verdriet heb om iemand die ik niet gekend heb. Ik ben het moe om te voelen dat mensen mijn gemis willen verkleinen tot iets dat makkelijker te begrijpen is. Alsof de wereld enkel plaats heeft voor verdriet dat netjes in een verhaal past.
Maar mijn gemis is niet netjes.
Het is niet logisch.
Het is niet af.
Ik mis Stijntje.
Ik mis de baby op de foto, ja.
Maar ik mis ook de man die hij nu zou zijn.
Ik mis de broer die mijn leven had kunnen kennen.
Ik mis de versie van mezelf die hem niet hoeft te missen.
En zelfs na 31 jaar blijft dat lastig.
Omdat “na” niet verdwijnt.
Omdat een lege plek geen kalender leest.
Ik ben geboren na mijn grote broer.
En ik draag dat niet als een hoofdstuk dat voorbij is.
Ik draag het als iets dat blijft.